Spring naar inhoud

Toegankelijkheid:

Bevindingen

Bevindingen (titel verborgen)

In totaal is er gesproken met 19 inburgeraars vanuit verschillende culturen (Turks, Syrisch en Eritrees), 11 mannen en 8 vrouwen met verschillende leerroutes (onderwijsroute, B1-route en Z-route). Zij waren in verschillende fasen in hun inburgeringstraject (ongeveer zes maanden bezig tot en met examen gehaald (en bij tolken genaturaliseerd)) en verschillende leeftijden. Hierdoor is een beeld ontstaan van wat voor inburgeraars op verschillende momenten in hun traject en leven belangrijk is. Bij elk groepsgesprek was een tolk aanwezig uit de eigen cultuur, die op een eerder punt ook zelf een inburgeringstraject heeft doorlopen.

3.1Ervaring van inburgeraars met inburgeringstraject

Begeleiding vanuit de gemeente

Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden met de begeleiding die zij krijgen van de gemeente Groningen. Voor sommige inburgeraars is dit ook de voornaamste bron van kennis over hoe het Nederlandse systeem werkt en wat van hen verwacht wordt, bijvoorbeeld met betrekking tot het volgen van een opleiding of het vinden van werk. Voornamelijk de laagdrempelige manier van contact, duidelijkheid en bereikbaarheid werden als zeer positief benoemd.

Als ik een vraag heb, stuur ik een bericht via WhatsApp. En als het een hele grote vraag is, dan maken we direct een afspraak.

Daarnaast werd aangegeven dat de contactpersonen bij de gemeente ook goed rekening houden met de persoonlijke situatie van de inburgeraars, bijvoorbeeld het uitstellen van taallessen omdat iemand eerst meer aandacht aan de opvoeding van een pasgeborene wil geven.

Ik was zwanger toen ik verhuisde, dus ik kon weinig doen op dat moment. Mijn contactpersoon is heel vriendelijk en toen ik langer deed over mijn taalcursus, door mijn kinderen, was dat geen probleem.

Op de vraag of iedereen goed geholpen werd door de gemeente, gaf een deel aan dat zij ook inburgeraars kenden die minder tevreden waren.  Daarbij moet worden opgemerkt dat er in sommige gevallen ook sprake is van verwachtingen die niet (volledig) uitkomen. Als voorbeeld werd een inburgeraar genoemd die in plaats van een MacBook een laptop kreeg en daar ontevreden mee was.

Begeleiding van kennissen

Inburgeraars krijgen niet alleen begeleiding vanuit de gemeente Groningen. Zo gaf een van de deelnemers aan dat zij liever hulp vraagt aan haar docent, aangezien zij deze vaker ziet, dezelfde hulp kan bieden en direct beschikbaar is.

Als er een moeilijke situatie is waar ik vragen over heb, dan vraag ik wel de contactpersoon van de gemeente. Maar de meeste vragen stel ik aan mijn docent.

Een van de meest bruikbare hulpbronnen was een bekende van de inburgeraar die het traject al had doorlopen. Dit zijn vaak mensen uit de eigen cultuur die kennis hebben over verschillende processen (van kennis over de goede buslijn tot inschrijven voor een verzekering).

Ja, ik krijg veel informatie van vrienden. Sommigen zijn al eerder hierheen gekomen. Dan vraag ik hen, hoe heb je dit geregeld? Heb je hier ervaring mee? Zo gaat dat.

Er is een grens aan het beroep dat inburgeraars willen doen op bekenden. Zo gaf een van de deelnemers aan dat andere mensen ook hun eigen leven hebben en daarom niet kunnen verwachten dat zij alles voor hen oplossen.

Vooral in het begin werd door mijn broer heel veel geregeld en gedaan. Maar op een gegeven moment wordt het ook voor hem te veel.

Daarnaast werden nog andere organisaties genoemd die ondersteunend waren bij de eerste tijd in Groningen, bijvoorbeeld CMZorg, WIJ-team (in sommige wijken), Jasmijn en Noorderlijke Horizon.

Begeleiding van Humanitas

Over Humanitas waren de meesten goed te spreken. Ze zijn vindbaar, etaleren zich via verschillende wegen (bijvoorbeeld de taalscholen, maar ook van mond-tot-mond) en helpen inburgeraars direct met het regelen van officiële zaken, waaronder het afsluiten van een energiecontract en verzekeringen.

Als jij hier een huis krijgt, dan helpt Humanitas met het doorgeven van de verhuizing, met energiecontracten en met van alles. Tijdens de afspraken zeggen zij ook dat je altijd naar Humanitas mag komen en hulp vragen tijdens het spreekuur of door een afspraak te maken.

De meeste inburgeraars hebben wel een of twee afspraken met Humanitas gehad, maar vervolgens komt het vooral aan op de motivatie van de inburgeraars zelf. Sommigen gebruikten de diensten van Humanitas veel; voornamelijk om de taal te leren.

Ze doen best veel. Ze hebben taalcafés, daar kun je gewoon inlopen en kletsen met mensen. Er zijn verschillende vrijwilligers, die kunnen jou helpen met vertalen of met iets te uiten of te zeggen. Ze hebben de taalcoach, die helpt met durven te praten.

Een aantal deelnemers gaf aan dat zij het moeilijk vonden dat de meeste vrijwilligers oudere mensen waren. Dit werd niet alleen over Humanitas gezegd, maar ook bijvoorbeeld over Jasmijn.

Ik heb het twee keer geprobeerd, maar voor mij is het saai om op deze manier te leren. Het helpt niet dat alle mensen ouder zijn dan ik ben.

3.2Ervaring van inburgeraars met taallessen en leerroute

Tijdens het inburgeringstraject wordt gekeken naar het taalniveau en leervermogen van de inburgeraar. Op basis daarvan wordt een inburgeraar toegewezen aan een van de drie leerroutes: de onderwijsroute, B1-route of Z-route. De taallessen worden door het merendeel van de inburgeraars gevolgd bij gecontracteerde aanbieders Stavoor en het Alfa college. Soms wordt er in het kader van maatwerk op basis van leerbaarheid of persoonlijke ambitie uitgeweken naar het Talencentrum van de Rijksuniversiteit Groningen. Binnen de focusgroepen kwam een duidelijk verschil in waardering van de verschillende organisaties en docenten naar voren. Tijdens de focusgroepen merkte de onderzoeker dit taalniveau minder duidelijk: er waren deelnemers van alle drie de scholen die zich goed verstaanbaar konden maken, maar ook deelnemers die moeite hadden met de Nederlandse taal.

Stavoor

Een deel van de deelnemers gaf aan dat zij het tempo en de kwaliteit van het onderwijs van Stavoor te laag vonden.

Ik volgde de Z-route en dat was te langzaam voor mij. Het is een heel laag niveau. Ik wilde iets sneller, maar dat kon niet en daardoor ben ik wel wat motivatie kwijtgeraakt. We volgden ook geen boek. Het waren allemaal printjes. Het voelde random.

Of zoals een andere deelnemer aangaf:

In onze klas zitten we nu met drie groepen die officieel allemaal op B1-niveau zitten, maar in de praktijk zitten er grote verschillen tussen de groepen.

Sommige deelnemers gaven aan dat het hierbij wel vooral om de docent ging en niet om de gehele organisatie.

Ik zeg niet dat de school het probleem is, de docent is het probleem. Mijn vrouw heeft les in hetzelfde gebouw maar van een andere docent. Zij heeft het echt goed gedaan en is juist heel positief.

Een van de deelnemers gaf aan dat hij het niveau van het programma bij Stavoor ook lager is dan nodig voor het staatsexamen.

Alfa college

Over het Alfa college waren de meeste deelnemers van de focusgroepen positief. Al klonk hier ook een negatief geluid:

Ik ben nu anderhalf jaar aan het studeren en ze blijven nieuwe leerlingen bij onze groep toevoegen. Over twee maanden heb ik een luistertoets op B1-niveau terwijl de leraar op A1-niveau blijft lesgeven voor de nieuwe groep. Voor mij is dit gewoon anderhalf jaar weggegooide tijd.

Andere deelnemers gaven aan dat zij soms het idee hadden dat de docenten van het Alfa college niet erg gemotiveerd waren om les te geven. Daarnaast gaven meerdere deelnemers aan dat zij het jammer vonden dat het niet verplicht was om Nederlands met elkaar te spreken. Dit werd alleen aangemoedigd om buiten de les te doen.

Talencentrum

De deelnemers die taallessen bij het Talencentrum hebben gevolgd, waren allemaal zeer tevreden. In de focusgroep kwam naar voren dat een van de belangrijkste verschillen is dat er bij het Talencentrum in kleine groepen wordt gewerkt, waarbij studenten ongeveer hetzelfde niveau hebben en zich op een intensieve en vergelijkbare manier ontwikkelen. In tegenstelling tot de groepen bij het Alfa college of Stavoor, waar meer diversiteit zat in leeftijd en taalniveau. Hierbij vermelden wij dat het Talencentrum een maatwerktraject is dat wordt ingezet op basis van de leerbaarheid en motivatie van de inburgeraar. Hierdoor heeft niet elke inburgeraar recht om deel te nemen aan dit traject.

Ruimte voor verandering

Wat uit de focusgroepen duidelijk werd, is dat er in de praktijk vaak veel mogelijk is als een inburgeraar toch op het verkeerde niveau of de verkeerde route is ingeschaald. Deelnemers van de focusgroepen benoemden wel dat het afhankelijk is van de contactpersoon die je bij de gemeente hebt.

3.3Vinden van werk, stage en participatie

Er was binnen de verschillende focusgroepen een groot onderscheid in de ervaring die de inburgeraars hadden met de mogelijkheid tot het vinden van werk, stage en participatie en ook de reden waarvoor zij dit deden. Sommige inburgeraars gaven aan dat het vinden van werk betekende dat zij weer kunnen meedoen en iets teruggeven aan de samenleving. Anderen zien het vooral als middel om de taal beter te leren spreken of gewoon iets te doen te hebben terwijl zij aan het inburgeren zijn. Ook hier wordt het belang van taal benoemd, zoals een van de deelnemers aangaf:

Ik ben ingenieur-architect. Ik heb naar werk gezocht, maar alle bedrijven vroegen een goed niveau van Nederlands. Ik spreek goed Engels, maar dat was niet genoeg.

Voor sommigen was het moeilijk dat hun diploma uit hun thuisland niet werd erkend. Dit betekende dat men een opleiding opnieuw zou moeten volgen of ander werk zou moeten vinden terwijl zij juist graag hun eigen kennis willen inzetten.

Ik heb een afgerond universiteitsdiploma. Ik wil graag iets doen met mijn diploma. Ik doe liever een onbetaalde stage dan dat ik een vergoeding zou krijgen voor werken in een kringloopwinkel. Nee, dat wil ik niet. Maar een stage op niveau is bijna niet te realiseren.

Een van de deelnemers gaf aan dat zij graag zou willen dat er meer traineeships voor statushouders zouden komen.

In het zuiden zijn er best wel wat projecten en traineeships voor statushouders. In het noorden niet. Ik heb weinig werkervaring, spreek voldoende Nederlands en wil graag op niveau bezig zijn.

Daarentegen vinden sommigen het juist niet erg om iets anders te gaan doen.

Ik was leraar, nu wil ik een carrièreswitch maken: ik wil administratief werk of begeleiding doen. Er is best veel concurrentie op de vacatures waar ik op solliciteer. Ondanks dat er veel vacatures zijn, merk ik dat mijn taal nog niet goed genoeg is. Ik blijf het nu eerst proberen en als het niet lukt, probeer ik toch maar weer iets in het onderwijs.

Uit de focusgroepen werd wel duidelijk dat het bestaan van mogelijkheden tot werk of stage niet per se hoeft bij te dragen aan een betere inburgering, of leren van de Nederlandse taal.

Ik heb als vrijwilliger gewerkt. Maar daar heb ik niks geleerd. Eigenlijk heb ik altijd gewerkt. Maar waar ik aan het werk kon, spraken ze allemaal Engels.

Daarnaast gaf een deel van de inburgeraars aan dat zij opzien tegen het zoeken van werk na hun inburgering.

Nederlanders blijven toch naar je kijken als een buitenlander. Ik heb dit van veel mensen gehoord die klaar zijn met hun inburgering. Bijvoorbeeld bij het zoeken van werk, dan kiezen ze toch eerder voor een Nederlandse man dan een Arabische man. Hoe groot is dan mijn kans om werk te vinden?

3.4Deelnemen aan Nederlandse samenleving

Het deelnemen aan de Nederlandse samenleving begint op het moment dat een asielzoeker in het aanmeldcentrum terechtkomt, niet op het moment dat men gehuisvest wordt in de gemeente Groningen. Het aanleren van de taal wordt als belangrijkste voorwaarde gezien om volwaardig deel te kunnen nemen aan de Nederlandse samenleving. Dit is ook het advies dat de meeste deelnemers van de focusgroep zouden willen geven aan nieuwkomers, zoals een van deelnemers zei:

Doe jullie best om de taal snel te leren. Het is heel belangrijk. Het is de sleutel van het land.

Daarbij werd in elke focusgroep genoemd dat het fijn zou zijn als er eerder begonnen kan worden met het op een professionele manier aanleren van de Nederlandse taal – het liefste direct in het asielzoekerscentrum. 

Ook het spreken van Engels lijkt onderdeel te zijn van de Nederlandse samenleving. Voor statushouders die de Engelse taal spreken, is dit tegelijkertijd een oplossing en een vloek. Doordat Nederlanders over het algemeen (goed) Engels spreken, is het altijd mogelijk om op die taal terug te vallen, maar is het tegelijk ook minder noodzakelijk om Nederlands te leren.

Als ik een gesprek met een Nederlander voer, switcht deze vaak direct naar Engels. Dan denken ze dat het gemakkelijker is, of ze hebben zelf geen geduld.

Daarnaast is het voor deelnemen aan de maatschappij belangrijk om te durven: durven spreken, durven fouten maken, durven opkomen voor jezelf en durven benoemen waar je behoefte aan hebt.

Niet bang zijn. Je moet rustig zijn en je moet leren. Niet bang zijn voor fouten. Niet wachten tot de officiële school begint, kijk vast naar YouTube of Google. Dan kan je vast beginnen met leren.

Daarbij worden ook nog een aantal andere hulpmiddelen genoemd, zoals Gemini, ChatGPT en Google vertalen. Al zorgen deze middelen er niet direct voor dat bijvoorbeeld brieven worden begrepen. 

Ook is meerdere keren genoemd dat je alleen kan meedoen in een samenleving als die jou ook toelaat. De Nederlandse samenleving wordt gezien als direct: mensen zeggen wat ze denken en verwachten dat anderen dat ook doen.

Mensen die voor mij aan in Nederland zijn gekomen, die weten vaak wel waar je naartoe moet voor hulp. Het probleem is dat waar ik kom vandaan, kan je zo moeilijk hulp krijgen. Dus we zijn er niet aan gewend dat je om hulp mag vragen.

Of zoals een andere deelnemer aangaf:

Als een Nederlander aan mij vraagt of ik mee wil eten en ik heb honger, dan weet ik dat ik moet zeggen dat ik honger heb. Dus dat probeer ik ook wel te zeggen. Bij mensen uit mijn eigen land, dan zien ze wel aan je of je wilt eten of niet. Dus eigenlijk heb ik hier twee verschillende manieren van gedragen.

Naast het durven vragen om hulp is er ook een andere drempel om mee te kunnen doen. Doordat in Nederland dingen anders zijn geregeld, kan het ook voorkomen dat het vanuit de eigen cultuur moeilijk te begrijpen is hoe bepaalde systemen in Nederland zijn opgezet (bijvoorbeeld een inloopspreekuur bij Humanitas).

Bij Humanitas zeiden ze dat je altijd kan komen met vragen, maar ik geloofde dat gewoon niet. Dat zit niet in onze cultuur.

Het moment dat inburgeraars zelf het idee hebben dat ze daadwerkelijk meedoen in de samenleving, verschilt heel erg. Zo benoemt de een het in termen van naturalisatie, een ander in het vinden van je droombaan en weer een ander in het kunnen voeren van een simpel gesprek en het kennen van de regels van het systeem. Een aantal deelnemers was op het moment van het onderzoek een opleiding op hbo- of wo-niveau aan het voorbereiden of een opleiding aan het volgen. Zij leken een duidelijk toekomstplan te hebben om een leven op te willen bouwen in Nederland. Opvallend is dat de meeste deelnemers aan de focusgroep geen Nederlandse vrienden hadden en dat dit ook om verschillende redenen moeilijk te bewerkstelligen is.

Ik probeer zoveel mogelijk vrijwilligerswerk te doen om mijn taalvaardigheden te verbeteren. Pas dan kom ik in contact met Nederlandse mensen, maar in mijn eigen leven eigenlijk niet. Kom ik zelden in contact met mensen.

Of zoals een deelnemer aangaf:

Nederlanders zijn heel individueel. Maar als je werkt of iets doet voor je toekomst, dan willen ze wel heel graag helpen en zijn ze ook aardig. Anders zijn ze gewoon individueel en willen ze geen contact maken.

Er waren ook deelnemers die wel Nederlanders in hun sociale netwerk hebben door veel met taal bezig te zijn en actief te zijn.

Ik heb een groot netwerk, ik heb ook contact met Nederlanders. Dit komt voornamelijk doordat ik bij de kringloop heb gewerkt en vaak bij Jasmijn kwam. Ik zie mijn taalcoaches eigenlijk ook wel als vrienden.

Nederlandse buren lijken een rol te spelen in de eerste “confrontatie” met de Nederlandse samenleving.

Ik heb ook een buurman. Ik zie hem niet heel vaak, maar als ik hem zie dan praten we over alles. Hij komt soms naar mijn huis. Ik ga soms naar zijn huis.

3.5Knelpunten en behoeften

Het grootste knelpunt is de tijd die men moet wachten totdat kan worden begonnen met de inburgering. Dit is een periode waarin men moet wachten, zonder te weten hoe lang. Dit zorgt voor onzekerheid en frustratie. Het beperkt sommige inburgeraars om iets zinvols te gaan doen.

Je komt eerst in het asielzoekerscentrum, wacht twee jaar totdat je een verblijfsvergunning krijgt. Daarna krijg je een huis. Dan moet je gewoon nog acht maanden wachten totdat je met het integratieprogramma kan starten. Dat maakt je depressief. Je motivatie gaat weg.

Of zoals een andere deelnemer aangaf:

De eerste twee maanden vind ik helemaal vrij zijn heel goed: je bent bezig met je huis, afspraken en andere kleine dingen. De rest van de zes of acht maanden ben je alleen maar aan het wachten. Je ziet mensen in je omgeving naar school gaan en jij zit thuis. Iedereen doet iets, snap je? En dan ben je maar aan het wachten, zonder dat je weet hoe lang. Dat is moeilijk.

Het is een tijd die door verschillende deelnemers op een verschillende manier wordt ingevuld. Sommigen gaven aan te werken - ook omdat dit nodig was om het gezin te ondersteunen in het land van herkomst. Andere manieren om de tijd in te vullen zijn de sportschool, afspreken met mensen uit de eigen gemeenschap of vrijwilligerswerk, bijvoorbeeld in een kringloopwinkel. Daarnaast gaf een aantal aan bewust thuis te zijn gebleven voor de opvoeding van de kinderen. 

Soms werd het als frustrerend ervaren dat mensen die sneller vooruit wilden, bijvoorbeeld met het leren van de taal of met het starten van een stage of werk, vooral te horen kregen dat zij moesten wachten op hun inburgeringstraject.

Ik had een huis gekregen en wilde gewoon iets gaan doen. Ik ging naar het WIJ-team en daar vertelde ik dat ik Nederlands wilde leren. Toen vroegen ze mij waarom ik daar was. Omdat ik geen Nederlands sprak moest ik eerst wachten op mijn inburgering. Maar ik wilde juist vast met de taal beginnen.

Daarnaast zorgt de tijd van wachten voor sommige inburgeraars ook voor nog langere vertraging, doordat er wel een periode vaststaat waarbinnen je je examen moet halen. Dit levert dan soms extra stress op. 

Wat ook werd genoemd als belemmering is dat men op een gegeven moment niet verder mag leren. De laksheid van sommige andere inburgeraars bij de taallessen werd door een deel van de deelnemers aan de focusgroep als zeer frustrerend en kwalijk ervaren.

Er zijn veel mensen die graag verder willen gaan met hun studie, bijvoorbeeld met B1- en B2-niveau, maar de gemeente betaalt maar voor 600 uur. Dan zie ik klasgenoten die er nooit zijn en voor hen is er ook voor 600 uur betaald. En ik ben gemotiveerd en mag niet door naar B2.

De deelnemers aan de focusgroepen gaven aan dat zij het gevoel hebben dat de gemeente en docenten onvoldoende beseffen hoe belangrijk het leren van de taal is, en daarmee ook het belang van kwalitatief goede lessen.

Het is heel belangrijk dat de gemeente Groningen meer aandacht geeft aan de scholen die niet goed werken. Want de docenten daar nemen niet alles serieus.