Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Armoede en het sociaal minimum in de gemeente Groningen

II (titel verborgen)

In dit hoofdstuk gaan we dieper in op (de ontwikkeling van) cijfers over de armoedegrens en het sociaal minimum in de gemeente Groningen vanaf 2018. Paragraaf 3.1 bevat kerncijfers over de ontwikkeling van beide benaderingen. Daarna gaat paragraaf 3.2 over langdurige armoede. Paragrafen 3.3 tot en met 3.7 gaan over de situatie in de gemeente Groningen naar verschillende achtergrondkenmerken. Bij de achtergrondkenmerken vergelijken we de 110%-armoedegrens met de grens van 110% tot het sociaal minimum. In dat jaar vielen onder beide benaderingen 22.200 inwoners. Het gaat hierbij echter niet om dezelfde groep mensen: de samenstelling onder beide benaderingen verschilt van elkaar. Zo vallen er onder de nieuwe armoedegrens meer werkenden, jongeren en inwoners zonder huurtoeslag, terwijl de groepen met pensioen, een uitkering uit een sociale voorziening en eenoudergezinnen kleiner zijn.

Toelichting ontwikkeling armoedegrens en sociaal minimum

Bij alle figuren in deze paragraaf valt op dat de armoedegrens over het algemeen een grilliger verloop kent dan het sociaal minimum. Dit komt met name doordat de armoedegrens gevoeliger is voor koopkrachtmaatregelen (zoals de energiemaatregelen, verhoging van het minimumloon, verschillende toeslagen) en veranderingen in woon- en energielasten. Het sociaal minimum is ‘slechts’ een inkomensnorm, die alleen meebeweegt met het wettelijk bestaansminimum. Daardoor verandert deze grens doorgaans geleidelijker. Ook zien we dat het aantal en percentage personen onder de armoedegrens sneller daalt dan onder het sociaal minimum. Dit heeft onder andere te maken met dat in jaren met lastenverlichting (zoals de energiemaatregelen in 2022 en 2023) veel huishoudens (net) boven de armoedegrens kunnen uitkomen, terwijl hun inkomen niet boven 110% van het sociaal minimum uitstijgt.

Volgens het CBS3 werd de landelijke daling van de armoedegrens in 2019 en 2020 veroorzaakt door loonstijgingen en coronamaatregelen. De daling sinds 2021 heeft te maken met de energiemaatregelen, zoals de energietoeslag voor huishoudens met een laag inkomen. Daarnaast werd in 2023 het minimumloon verhoogd en kwamen huishoudens met een laag inkomen in aanmerking voor een huurverlaging. In 2024 zien we echter een stijging in het aandeel arme personen. In dat jaar waren er geen energiemaatregelen meer. Wel waren er diverse koopkrachtverhogende maatregelen, zoals verruiming van de huurtoeslag en het kindgebonden budget, een cao-loonstijging en meer arbeidskorting.

Leeswijzer

In dit hoofdstuk worden de 100%- en 110%-armoedegrens en 110% van het sociaal minimum steeds gezamenlijk gepresenteerd. Hierbij is het belangrijk om te benadrukken dat deze benaderingen niet hetzelfde meten en gebaseerd zijn op verschillende definities en doelpopulaties (zie hoofdstuk 2). Ze zijn daardoor niet één-op-één vergelijkbaar. De cijfers geven vooral een beeld van verschillende uitkomsten wanneer uitgegaan wordt van een laag inkomen (het sociaal minimum) of van voldoende bestedingsruimte (de armoedegrens).

3.1 Kerncijfers

Figuren 2 en 3 laten zien dat het aandeel inwoners tot de armoede- en sociale-minimumgrenzen in de gemeente Groningen structureel hoger is dan gemiddeld in Nederland. In 2024 valt in Groningen 5,8% van de doelpopulatied onder de armoedegrens, in Nederland is dit 3,1%. In 2018 was in de gemeente Groningen het aandeel inwoners tot de armoedegrens nog 10,1%. De relatieve daling tussen 2018 en 2024 was sterker in de gemeente Groningen dan landelijk; in Groningen was er een daling van 5,4 procentpunt, landelijk was dit 4 procentpunt. Absoluut gezien daalde het aantal inwoners tot de armoedegrens in Groningen van 24.700 naar 13.400. Bij de 110%-armoedegrens gaat het om een daling van 34.700 naar 22.200 personen. Zowel de relatieve als de absolute daling is daarmee in de gemeente Groningen (veel) groter dan bij het sociaal minimum.

Figuur 2: Percentage inwoners van de gemeente Groningen dat in armoede leeft, 2018-2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  100% armoedegrens Groningen 110% armoedegrens Groningen 110% soc. min. Groningen
2018 11,2% 15,8% 12,7%
2019 10,1% 14,6% 12,4%
2020 8,1% 12,8% 12,3%
2021 8,4% 12,6% 11,7%
2022 5,9% 10,0% 11,2%
2023 4,9% 8,1% 11,0%
2024* 5,8% 9,5% 11,0%

Figuur 3: Percentage inwoners van Nederland dat in armoede leeft, 2018-2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  100% armoedegrens Nederland 110% armoedegrens Nederland 110% soc. min. NL
2018 7,1 10,6 7,6
2019 6,3 9,6 7,4
2020 5,1 8,2 7,3
2021 4,9 7,9 7
2022 3,4 6,3 6,7
2023 2,7 4,9 6,7
2024* 3,1 5,5 6,6

Bij het sociaal minimum geldt dat in Groningen 11% van de doelpopulatiee een inkomen tot 110% heeft, tegenover 6,6% in Nederland. In 2018 was in de gemeente Groningen het aandeel inwoners tot 110% van het sociaal minimum nog 12,7% (figuur 2). Landelijk was de daling tussen 2018 en 2024 minder sterk; van 7,6% naar 6,6%. Absoluut gezien daalde het aantal inwoners met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum in Groningen van 24.100 naar 22.200. Ter indicatie: deze 22.200 personen wonen samen in 16.100 huishoudens (14,7%). In 2018 ging het om 17.100 huishoudens (16,8%). Opvallend is dat het percentage personen met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum in 2018 nog onder de 110%-armoedegrens ligt. Vanaf 2022 verandert dit en ligt het aandeel inwoners met inkomen tot 110% van het sociaal minimum hoger. Het aandeel inwoners tot de armoedegrens is dus veel sterker gedaald. Een verklaring hiervoor kan zijn dat gedurende de jaren verschillende maatregelen ervoor hebben gezorgd dat de bestedingsruimte van huishoudens verruimd is, terwijl het aandeel lage inkomens minder sterk veranderde.

Tabel 2: Gemeenten meet hoogste aandeel personen in armoede, 2024*

Gemeente 100% armoedegrens   Gemeente 110% armoedegrens
1. Vaals 6,9%   1. Rotterdam 13,0%
2. Amsterdam 6,7%   2. Heerlen 12,5%
3. Den Haag 6,4%   3. Amsterdam 12,0%
4. Rotterdam 6,3%   4. Den Haag 11,2%
5. Groningen 5,8%   5. Groningen 11,0%
Nederland 3,1%     6,6%

De gemeente Groningen neemt zowel bij de armoedegrens als het sociaal minimum de vijfde plaats in op de gemeentelijke ranglijst (zie tabel 2).

We kunnen de doelpopulatie van de armoedegrens meer gelijktrekken aan het sociaal minimum, en studentenhuishoudens niet meetellen in de doelpopulatie van de armoedegrens. Dan komt Groningen in 2024 op 6,5% tot de 100%-armoedegrens. Voor Nederland geldt dan een percentage van 3,2%.

Doelpopulatie armoedegrens: particuliere huishoudens, inclusief onvolledig jaarinkomen en studentenhuishoudens.
Doelpopulatie sociaal minimum: particuliere huishoudens, exclusief onvolledig jaarinkomen en studentenhuishoudens.


3.2 Langdurige armoede en laag inkomen

Het CBS spreekt van langdurige armoede wanneer iemand minstens drie opeenvolgende jaren in armoede leeft. Bij het sociaal minimum wordt gesproken over een langdurig laag inkomen, waarbij doorgaans het criterium van vier opeenvolgende jaren wordt gehanteerd. Hierdoor zijn de twee benaderingen niet goed vergelijkbaar. In 2024 gaat het in de gemeente Groningen om 1,2% van de inwoners, landelijk om 0,7% die minimaal drie jaar op rij onder de armoedegrens vallen (figuur 4). In aantallen gaat het om 2.700 personen in de gemeente Groningen. In 2020 lag dit aantal nog ongeveer drie keer zo hoog (8.100). Het aandeel inwoners dat langdurig te maken heeft met armoede ligt in Groningen structureel boven het landelijke gemiddelde, al is het verschil in 2024 kleiner dan in 2020. Waar de gemeente Groningen bij de armoedegrens landelijk de vijfde plek inneemt, staat de gemeente bij langdurige armoede op de elfde plek.

In de gemeente Groningen heeft 6,7% van de inwoners minimaal vier jaar op rij een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (figuur 5). Landelijk is dit 3,6%. In aantallen gaat het in de gemeente om 12.000 inwoners. Het aantal en aandeel personen veranderde slechts geleidelijk; in 2018 ging het om 12.800 personen; 7,5%.

Figuur 4: Percentage inwoners van Nederland en de gemeente Groningen dat langdurig (minimaal drie jaar) in armoede leeft, 2020-2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Groningen Nederland
2020 3,7 2,5
2021 3,3 2,1
2022 1,9 1,3
2023 1,3 0,8
2024* 1,2 0,7

Figuur 5: Percentage inwoners van Nederland en de gemeente Groningen dat langdurig (minimaal vier jaar) een inkomen tot 110% van het sociaal minimum heeft, 2018-2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Groningen Nederland
2018 7,5 3,9
2019 7,6 3,9
2020 7,8 4
2021 7,6 3,9
2022 7,3 3,8
2023 7 3,7
2024* 6,7 3,6

Figuur 6 laat zien hoe de groep inwoners in armoede zich verhoudt tussen langdurige armoede en korter durende armoede. Het aandeel inwoners dat langdurig arm is neemt in de tijd duidelijk af: in 2020 was de verhouding nog 45% langdurig en 55% kortdurend, in 2024 is dit verschoven naar 20% versus 80%. Een vergelijkbare ontwikkeling is te zien op landelijk niveau. Bij het sociaal minimum is een dergelijke ontwikkeling niet te zien; hier blijft de verhouding tussen langdurig en kortdurend een laag inkomen vrij stabiel over de jaren. In 2024 had van de totale groep met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum, 51% dit vier opeenvolgende jaren. In 2020 was dit 52%.

De forse afname van het aantal langdurig armen heeft waarschijnlijk met de energietoeslagen en de verhoging van het minimumloon in 2023 te maken. Volgens het CBS3 hebben deze maatregelen ertoe bijgedragen dat een deel van de mensen die het jaar ervoor nog arm was, het daaropvolgende jaar niet langer onder de armoedegrens viel. Dit was relatief vaak het geval bij mensen die een bijstandsuitkering of een sociale voorziening hadden. Belangrijk hierbij is dat iemand alleen langdurig arm is bij een ononderbroken periode onder de armoedegrens. Zodra iemand een jaar boven de armoedegrens valt, is deze niet langer langdurig arm. Dit laat wederom zien dat de armoedegrens gevoelig is voor beleidsmaatregelen.

Figuur 6: Percentage personen dat (langdurig) arm is, gemeente Groningen en Nederland, 2020-2024*

Gemeente Groningen

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  1-3 jaar arm tenminste 3 opeenvolgende jaren arm
2020 55% 45%
2021 61% 39%
2022 68% 32%
2023 73% 26%
2024* 80% 20%

Nederland

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  1-3 jaar arm tenminste 3 opeenvolgende jaren arm
2020 51% 49%
2021 56% 44%
2022 62% 38%
2023 70% 30%
2024* 76% 24%

Door afronding tellen de percentages niet altijd exact op tot 100%.

3.3 Type huishouden

In deze paragraaf kijken we naar de (ontwikkeling van) armoede onder verschillende huishoudtypes. Figuur 7 toont de ontwikkeling van armoede en een laag inkomen in de gemeente Groningen. Vervolgens worden in figuur 8 de standgegevens over de 100%- en 110%-armoedegrens en de grens tot 110% van het sociaal minimum voor 2024 met elkaar vergeleken. Figuur 9 geeft weer hoe de samenstelling van de groep inwoners tot de armoedegrenzen en het sociaal minimum eruitziet.

Figuur 7: Ontwikkeling percentage personen tot 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar type huishouden, gemeente Groningen, 2018-2024*

110% van de armoedegrens

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Eenpersoonshuishouden Eenoudergezin Paar, zonder kind Paar met kind(eren) Meerpersoonshuishouden, overig
2018 22 37,3 9,2 8,1 20,2
2019 21 33,1 8,4 7,6 17,3
2020 19 27,4 7,3 6,3 15,8
2021 19 28,2 6,9 5,9 14,8
2022 14,3 20,4 6,1 5,3 14
2023 12,1 12,8 5,4 4,2 11,5
2024* 15,3 13,2 5,7 4,3 13,9

110% van het sociaal minimum

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Eenpersoonshuishouden Eenoudergezin Paar, zonder kind Paar met kind(eren) Meerpersoonshuishouden, overig
2018 26,1 29,3 4,9 4,4 11
2019 25,8 28,1 4,6 4,3 9,3
2020 25,7 27,9 4,6 4 9,4
2021 24,5 25,9 4,3 3,8 8,1
2022 23,8 23 4,3 3,5 6,8
2023 23,2 21,8 4,3 3,7 7,9
2024* 22,4 22,2 4,3 4 8,7

Bij figuur 7 valt op dat het aandeel inwoners in eenoudergezinnen tot de 110%-armoedegrens een stuk sneller daalde dan het aandeel met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. In 2018 viel 37,3% van de personen in eenoudergezinnen onder de 110%-armoedegrens. In 2023 bereikte dit aandeel het laagste punt op 12,8%, waarna het in 2024 licht opliep naar 13,2%. In aantallen gaat het om een daling van 6.800 naar 2.500 personen in eenoudergezinnen. Onder het sociaal minimum verliep de daling geleidelijker; van 29,3% naar 22,2%. Een daling van 5.100 naar 4.000 inwoners.

Het aandeel eenpersoonshuishoudens onder de 110%-armoedegrens daalde tussen 2018 en 2024 van 22% naar 15,3%; van 16.200 naar 12.500 personen. De 110%-sociale minimumgrens liet een kleinere daling zien; van 26,1% naar 22,4%; van 13.000 naar 12.700 personen. In aantallen gaat het in 2024 dus om vrijwel even grote groepen. De procentuele verschillen hebben te maken met een andere benadering van de doelpopulatie, zie tekst onder figuur 8 voor een toelichting. Verder is er bij de 110%-armoedegrens sprake van een duidelijke toename tussen 2023 en 2024. Bij het sociaal minimum zet de daling van het aandeel eenpersoonshuishoudens met een laag inkomen vanaf 2018 juist verder door. Er lijken dus in 2024 meer eenpersoonshuishoudens met een laag inkomen weinig bestedingsruimte over te houden.

Bij samenwonende Groningers (met en zonder kind(eren) komen armoede en lage inkomens relatief minder voor. De ontwikkeling van armoede bij deze groepen verloopt zowel bij het sociaal minimum als de 110%-armoedegrens vrij geleidelijk. Voor personen die onderdeel uitmaken van een paar met kind(eren) geldt dat het aandeel tot de 110%-armoedegrens tussen 2018 en 2024 daalde van 8,1% naar 4,3%. In aantallen was dit van 5.400 naar 2.900 personen. Bij het sociaal minimum gaat het om een daling van 4,4% naar 4%; van 3.000 naar 2.600 personen. Het percentage inwoners tot de 110%-armoedegrens dat een paar zonder kinderen vormt, daalde van 9,2% naar 5,7%; een afname van 1.700 personen. Bij het sociaal minimum was de afname met 200 personen een stuk kleiner; van 4,9% naar 4,3%.

Van de personen in overige meerpersoonshuishoudensf heeft in 2024 8,7% een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (500 personen). In 2018 was dit 11% (ook 500 personen). Van dit type huishouden valt 13,9% onder de 110%-armoedegrens (900 personen). Sinds 2018 daalde dit aandeel met 6,3 procentpunt (400 personen; dus bijna de helft minder).

f Overige meerpersoonshuishoudens zijn particuliere huishoudens waarvan nog andere personen dan de hoofdkostwinner en diens partner en/of  inwonende kinderen deel uitmaken, bijvoorbeeld huishoudens met inwonende verwanten.

Figuur 8: Percentage personen in de gemeente Groningen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar huishoudtype, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  100% armoedegrens 110% armoedegrens 110% soc. min.
Eenpersoonshuishouden 9,2 15,3 22,4
Eenoudergezin 7,4 13,2 22,2
Paar, zonder kind 3,9 5,7 4,3
Paar met kind(eren) 2,2 4,3 4
Meerpersoonshuishouden, overig 11,6 13,9 8,7

Figuur 8 laat de verhoudingen tussen de twee verschillende armoedegrenzen en 110% van het sociaal minimum in 2024 zien. Het valt meteen op dat vooral bij eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen het verschil tussen het sociaal minimum en de armoedegrenzen groot zijn. Voor beide huishoudtypes geldt dat het percentage onder het sociaal minimum veel hoger ligt dan onder de twee armoedegrenzen. Bij eenpersoonshuishoudens kan een deel van dit verschil verklaard worden door de afbakening van de doelpopulaties van beide benaderingen (zie ook paragraaf 2.3). Wanneer de doelpopulatie van de armoedegrens meer gelijkgetrokken wordt met het sociaal minimum, door studentenhuishoudens buiten de doelpopulatie te laten, worden de uitkomsten voor eenpersoonshuishoudens beter vergelijkbaar. In dat geval ligt het aandeel eenpersoonshuishoudens tot de 110%-armoedegrens op 20,7%. Dit is slechts iets lager dan het aandeel tot 110% van het sociaal minimum.

Voor eenoudergezinnen speelt dit effect nauwelijks; er zijn dan ook weinig studenten met kinderen.

fOverige meerpersoonshuishoudens zijn particuliere huishoudens waarvan nog andere personen dan de hoofdkostwinner en diens partner en/of inwonende kinderen deel uitmaken, bijvoorbeeld huishoudens met inwonende verwanten.

Het grootste verschil tussen de armoedegrenzen en het sociaal minimum ligt dus bij eenoudergezinnen. Dat wil zeggen dat eenoudergezinnen vaak een laag inkomen hebben, maar tegelijkertijd vaak wél genoeg bestedingsruimte overhouden na aftrek van vaste lasten. Het CBS3 geeft aan dat het bij eenoudergezinnen onder de armoedegrens vooral gaat om gezinnen die een bijstandsuitkering hebben en geen kindgebonden budget of huurtoeslag ontvangen. Ook komen eenoudergezinnen die wél huurtoeslag en kindgebonden budget ontvangen, relatief vaak net boven de 100%-armoedegrens uit. In de figuur is dit te zien door het vrij grote verschil tussen de 100%- en 110%-armoedegrens.

Bij paren, zowel met als zonder kind(eren), zijn de verschillen tussen het sociaal minimum en de armoedegrens kleiner. Deze huishoudtypes zijn de enige waarbij het percentage tot 110% van het sociaal minimum (iets) lager is dan het percentage tot de armoedegrens. Dit geeft aan dat paren met een laag inkomen relatief vaak weinig bestedingsruimte hebben. Tot slot valt op dat bij de armoedegrens personen in meerpersoonshuishoudens meer naar voren komen.

Figuur 9: Totale groep personen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar huishoudtype, gemeente Groningen, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Eenpersoonshuishouden Eenoudergezin Paar, zonder kind Paar met kind(eren) Meerpersoonshuishouden, overig
100% armoedegrens (N=13.400) 56% 10% 17% 10% 6%
110% armoedegrens (N=22.200) 57% 11% 15% 13% 4%
110% soc. min. (N=22.200) 57% 18% 10% 12% 2%
totale bevolking (N=232.500) 35% 8% 25% 29% 3%

Door afronding tellen de percentages niet altijd exact op tot 100%.

Figuur 9 laat zien dat de samenstelling van de groep inwoners onder de verschillende armoedegrenzen en een inkomen tot 110% van het sociaal minimum iets verschilt. Onder de armoedegrenzen bestaat de groep minder uit personen in eenoudergezinnen: 10%-11%, tegenover 18% onder 110% van het sociaal minimum. Er zijn juist meer paren zonder kind binnen de armoedegrenzen: 17%-15%, tegenover 10% onder het sociaal minimum. Opvallend is dat het aandeel eenpersoonshuishoudens nagenoeg gelijk is bij de verschillende benaderingen, terwijl figuur 2 veronderstelt dat minder eenpersoonshuishoudens onder de armoedegrenzen vallen dan onder 110% van het sociaal minimum. Dit schijnbare verschil hangt samen met de verschillende doelpopulaties bij beide benaderingen, zie paragraaf 2.3.

De samenstelling van de groep inwoners tot de 110%-armoedegrens in de gemeente Groningen wijkt op een paar punten af van het landelijke beeld. Zo bestaat deze groep in Groningen voor een groter deel uit eenpersoonshuishoudens (57% tegenover 43% landelijk). In de gemeente is het aandeel personen in huishoudens met kinderen lager. Dit geldt zowel voor paren met kind(eren) (13% tegenover 23%) en eenoudergezinnen (11% tegenover 16% landelijk).

Ook bij het sociaal minimum zien we meer eenpersoonshuishoudens in de gemeente Groningen dan landelijk (57% tegenover 45% landelijk). Verder zit er 5 procentpunt verschil bij paren, zowel met als zonder kind(eren). Hierbij scoort de gemeente in beide gevallen lager dan landelijk.

3.4 Leeftijd hoofdkostwinner

In deze paragraaf kijken we naar de (ontwikkeling van) armoede onder verschillende leeftijdsgroepen van de hoofdkostwinners van een huishouden. Allereerst toont figuur 10 de ontwikkeling van armoede en een laag inkomen in de gemeente Groningen. Vervolgens worden in figuur 11 de standgegevens over de 100%- en 110%-armoedegrens en de grens tot 110% van het sociaal minimum voor 2024 met elkaar vergeleken. Ten slotte geeft figuur 12 weer hoe de samenstelling van de groep inwoners tot de armoedegrenzen en het sociaal minimum eruitziet.

Figuur 10: Ontwikkeling percentage personen tot 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar leeftijd van de hoofdkostwinner, gemeente Groningen, 2018-2024*

110% van de armoedegrens

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Hoofdkostwinner: tot 25 jaar Hoofdkostwinner: 25 tot 45 jaar Hoofdkostwinner: 45 tot 65 jaar Hoofdkostwinner: 65 jaar of ouder
2018 15,7 17,6 14,9 8,7
2019 15,2 16,1 14,0 7,9
2020 14,7 14,0 12,4 5,6
2021 13,5 13,6 12,7 6,5
2022 14,2 10,5 9,4 4,1
2023 12,8 8,7 7,2 3,2
2024* 12,5 10,0 9,3 4,2

110% van het sociaal minimum

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Hoofdkostwinner: tot 25 jaar Hoofdkostwinner: 25 tot 45 jaar Hoofdkostwinner: 45 tot 65 jaar Hoofdkostwinner: 65 jaar of ouder
2018 16,9 13,2 11,5 12,9
2019 17,1 12,9 11,3 12,6
2020 16,6 12,6 11,3 12,6
2021 14,3 11,5 11,1 12,5
2022 13,4 10,8 10,5 12,8
2023 12,9 10,8 10,2 12,7
2024* 12,4 11,1 10,2 12,2

De ontwikkeling van armoede onder verschillende leeftijdsgroepen is minder gelijkmatig dan de ontwikkeling van het sociaal minimum (figuur 10). Ook komt naar voren dat er onder de armoedegrenzen grotere verschillen zitten tussen de leeftijdsgroepen. Bij een inkomen tot 110% van het sociaal minimum zijn de verschillen tussen de leeftijdsgroepen een stuk kleiner.

Bij de leeftijdsgroep hoofdkostwinner tot 25 jaar daalde het aandeel inwoners tot de 110%-armoedegrens tussen 2018 en 2024 van 15,7% naar 12,5%; in aantallen van 5.000 naar 4.300 personen. Hierbij valt op dat vanaf 2021 het aandeel personen in een huishouden met een jonge hoofdkostwinner stijgt en vervolgens vrij stabiel blijft, terwijl de andere leeftijdsgroepen tot 2023 sterker dalen. Het percentage van de jongste leeftijdsgroep is in 2024 duidelijk het hoogst. Bij het sociaal minimum valt juist op dat de jongste leeftijdsgroep in 2018 een stuk boven de andere leeftijdsgroepen uitsteekt. In 2024 is dit behoorlijk gedaald en ligt het op hetzelfde niveau als de leeftijdsgroep 65 jaar en ouder. In aantallen gaat het tussen 2018 en 2024 om personen naar 1.200 in 2024. Alhoewel de percentages voor jongeren bij beide benaderingen dichtbij elkaar liggen, is dat bij de aantallen duidelijk niet het geval. Dit heeft te maken met de verschillende doelpopulaties van beide benaderingen, zie paragraaf 2.3.

Bij de 110%-armoedegrens is de daling vooral te zien bij de middelste leeftijdsgroepen. Het aandeel inwoners in een huishouden met een hoofdkostwinner van 25-45 jaar daalde tussen 2018 en 2023 van 17,6% naar 8,7%. In aantallen is dat een daling van 15.700 naar 8.100. Bij de leeftijdsgroep 45-64 jaar daalde het aandeel in dezelfde periode van 14,9% naar 7,2% (van 10.900 naar 5.200 personen). Daarmee zijn beide leeftijdsgroepen zijn tussen 2018 en 2023 (bijna) gehalveerd. In 2024 is bij beide leeftijdsgroepen vervolgens weer een toename te zien. Bij het sociaal minimum is de ontwikkeling gematigder. In de 25-45-jaarsgroep zien we een stijging vanaf 2022. In aantallen gaat het tussen 2018 en 2024 om een afname van respectievelijk 10.500 naar 9.400 en van 8.100 naar 7.000 personen.

Ten slotte ligt het aandeel personen met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder tot de 110%-armoedegrens structureel lager dan de andere leeftijdsgroepen. In 2024 gaat het om 4,2%; dat zijn 1.600 personen. In 2018 ging het nog om 8,7% (3.000 personen). Tussen 2018 en 2024 is de ontwikkeling van het sociaal minimum vrij constant bij de groep ouderen; van 12,9% naar 12,2%. In aantallen gaat het om een daling van 300 personen, naar 4.500 in 2024. In tegenstelling tot de andere leeftijdsgroepen, zien we in 2022 een lichte stijging bij 65-plussers.

Figuur 11: Percentage personen in de gemeente Groningen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar leeftijd hoofdkostwinner, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  100% armoedegrens 110% armoedegrens 110% soc. min.
tot 25 jaar 9,8 12,5 12,4
25-45 jaar 6,6 10,0 11,1
45-65 jaar 4,7 9,3 10,2
65 jaar of ouder 2,4 4,2 12,2

Figuur 11 laat nog eens de verhoudingen tussen de verschillende armoedegrenzen en het sociaal minimum in 2024 zien. Armoede komt in 2024 in de gemeente Groningen relatief het meest voor onder personen waarvan de hoofdkostwinner jonger dan 25 jaar is. Zowel bij de armoedegrens als bij het sociaal minimum is dit het geval. Zoals hierboven al aangegeven, verschillen de bijbehorende aantallen wel flink van elkaar. Verder is het hier interessant om de doelpopulatie van de armoedegrens meer gelijk te trekken met de doelpopulatie van het sociaal minimum, door studentenhuishoudens buiten beschouwing te laten. Dan blijkt dat 36,1% van de personen met een hoofdkostwinner tot 25 jaar onder de 110%-armoedegrens valt. Dat wil dus zeggen dat jongeren onder de armoedegrens veel meer naar voren komen als groep die moeite heeft om rond te komen.

Verder zien we in figuur 11 dat bij de leeftijdsgroepen 25-45 jaar en 45-65 jaar het aandeel personen in een huishouden met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum iets hoger is dan de armoedegrenzen. Onder de groep 45-65 jaar is het verschil tussen de 100%- en 110%-armoedegrens vrij groot; respectievelijk 3.300 en 6.800 personen; een ruime verdubbeling. De groep die net boven de 100%-armoedegrens zit is dus behoorlijk groot.

In de gemeente Groningen zijn bij de groep 65 jaar en ouder grote verschillen op te merken tussen de armoedegrens en het sociaal minimum. Armoede komt in de gemeente relatief het minst voor wanneer de hoofdkostwinner 65 jaar of ouder is. Kijken we alleen naar het inkomen (sociaal minimum) dan blijkt dat een laag inkomen juist vaak voorkomt onder 65-plussers. Meerdere (methodologische) factoren spelen mee in dit verschil, zie paragraaf 2.4.

Figuur 12: Totale groep personen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar leeftijd hoofdkostwinner, gemeente Groningen, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  tot 25 jaar 25-45 jaar 45-65 jaar 65 jaar of ouder
100% armoedegrens (N=13.400) 25% 44% 24% 7%
110% armoedegrens (N=22.200) 19% 43% 31% 7%
110% soc. min. (N=22.200) 5% 43% 32% 20%
totale bevolking (N=232.500) 15% 39% 30% 16%

Ook figuur 12 laat duidelijk zien dat de leeftijdssamenstelling van de groep inwoners die met armoede te maken heeft verschilt per definitie. Onder de nieuwe definitie bestaat de groep voor 7% uit ouderen, terwijl dit bij het sociaal minimum 20% is. Voor jongeren is het andersom: bij de nieuwe definitie bestaat de groep voor 19%-25% uit jongeren, tegenover 5% bij het sociaal minimum.

De samenstelling van de groep inwoners tot de 110%-armoedegrens in de gemeente Groningen wijkt op een paar punten af van het landelijke beeld. Zo bestaat deze groep in Groningen voor een groter deel uit personen met een hoofdkostwinner tot 25 jaar (19% tegenover 8% landelijk). Het aandeel in de leeftijdsgroep 25-45 jaar ligt iets hoger in de gemeente Groningen (43% tegenover 40% landelijk. Het aandeel inwoners met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder is juist lager in Groningen (7% tegenover 14%), net zoals het aandeel personen met een hoofdkostwinner van 45-65 jaar (31% tegenover 38% landelijk).

Bij het sociaal minimum bestaat de totale groep relatief gezien iets meer uit personen met een hoofdkostwinner tot 25 jaar in de gemeente Groningen dan landelijk (5% tegenover 2% landelijk). Ook de leeftijdscategorie 25-45 jaar is groter in de gemeente (43% tegenover 37% landelijk). De leeftijdscategorie 45-65 jaar is even groot, en de leeftijdsgroep 65 jaar of ouder is kleiner in de gemeente Groningen (20% tegenover 29% landelijk).

3.5 Voornaamste inkomensbron

In deze paragraaf kijken we naar de (ontwikkeling van) armoede naar inkomensbron van een huishouden. Het gaat hierbij om de voornaamste inkomensbron van de hoofdkostwinner van het huishouden; de bron waaruit een huishouden in een jaar het meeste inkomen uit ontving. Allereerst toont figuur 13 de ontwikkeling van armoede en een laag inkomen in de gemeente Groningen. Vervolgens worden in figuur 14 de standgegevens over de 100%- en 110%-armoedegrens en de grens tot 110% van het sociaal minimum voor 2024 met elkaar vergeleken. Ten slotte geeft figuur 15 weer hoe de samenstelling van de groep inwoners tot de armoedegrenzen en het sociaal minimum eruitziet.

Figuur 13: Ontwikkeling percentage personen tot 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar belangrijkste inkomensbron van de hoofdkostwinner, gemeente Groningen, 2018-2024*

110% van de armoedegrens

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Uitkering werkloosheid Uitkering arbeidsongeschiktheid Uitkering pensioen Uitkering sociale voorziening
2018 7,9 9,1 34,8 39,9 10,1 85,9
2019 7,4 8,4 32,9 37,1 8,7 83,6
2020 6,4 6,3 30,8 30,2 6,1 75,5
2021 5,9 6,5 31,9 32,8 6,9 79
2022 5,7 6,4 23 23,4 4,3 53,5
2023 4,9 6,4 26 15,8 3,2 44,8
2024* 5,5 7,9 26,3 20,9 4,2 57,5

110% van het sociaal minimum

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Uitkering werkloosheid Uitkering arbeidsongeschiktheid Uitkering pensioen Uitkering sociale voorziening
2018 2,3 8,9 19,3 26,1 13,5 78,9
2019 2,4 8,8 20,2 24,9 13 79,8
2020 2,6 6,7 20 24,9 13,1 78,5
2021 2,2 6,9 20,4 25,2 13 78,2
2022 2,2 7,1 19,7 25,4 13,1 78,5
2023 2,2 7,6 23,5 23,9 12,9 77
2024* 2,4 8,8 24,6 24,2 12,7 76,7

Bij de uitsplitsing naar voornaamste inkomensbron valt wederom op dat de ontwikkeling onder de 110%-armoedegrens minder gelijkmatig verloopt dan onder 110% van het sociaal minimum (figuur 13). De sterkste verandering zien we bij personen waarvan het huishouden een uitkering sociale voorziening als belangrijkste inkomensbron heeft. Hieronder vallen bijvoorbeeld een bijstandsuitkering, Wajong en IOAW. Onder de 110%-armoedegrens daalde het aandeel in deze groep tussen 2018 en 2024 van 85,9% naar 57,5%. In aantallen gaat het om een daling van 16.100 naar 9.500. Onder 110% van het sociaal minimum daalde het aantal in dezelfde periode van 14.000 naar 11.700.

Ook onder personen in huishoudens met een arbeidsongeschiktheidsuitkering daalde het aandeel tot de 110%-armoedegrens tussen 2018 en 2024 behoorlijk: van 39,9% naar 20,9% (van 1.800 naar 1.100 personen). Bij personen met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum zien we in aantallen juist geen daling; zowel in 2018 als in 2024 gaat het om 1.200 personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Het aandeel personen tot de 110%-armoedegrens met als belangrijkste inkomensbron een werkloosheidsuitkering daalde tussen 2018 en 2024. In aantallen gaat het om een daling van 300 personen. Zowel bij de armoedegrens als het sociaal minimum zien we vanaf 2022 een relatieve stijging onder personen met een werkloosheidsuitkering. De veranderingen zijn echter vrij klein, omdat de totale aantallen vrij laag zijn; in aantallen gaat het in 2024 zowel bij 110% van het sociaal minimum als de 110%-armoedegrens om 200 mensen.

Het aandeel personen tot de 110%-armoedegrens in een huishouden met als belangrijkste inkomensbron pensioen daalde van 10,1% naar 4,2%; van 3.400 naar 1.500 personen. Bij het sociaal minimum is er zowel percentueel als in aantallen nauwelijks sprake van een daling bij deze groep. In 2024 gaat het om 4.300 personen.

Tot slot zien we bij de armoedegrens een gestage en geringe relatieve daling van armoede onder personen in een huishouden waarbij werk (werknemers en zelfstandigen) de belangrijkste inkomensbron is. Tussen 2018 en 2024 gaat het om een afname van 12.600 naar 9.600. In 2024 gaat het om 8.000 werknemers en 1.600 zelfstandigen. Bij het sociaal minimum blijft de daling uit en stijgt het aantal van 4.300 naar 4.800. Het gaat in 2024 om 3.000 werknemers en 1.700 zelfstandigeng. De daling bij werknemers en zelfstandigen is veel kleiner omdat de totale groep in de gemeente (de noemer) veel groter is. Een daling valt daardoor bij deze groep minder op. Daarnaast stelt het CBS4 dat vooral mensen met een uitkering profijt hadden van koopkrachtverhogende maatregelen, zoals de energiemaatregelen. Daardoor daalde hun aandeel tot de armoedegrens sneller dan het aandeel werkenden.

g Dit telt niet op 4.800 vanwege afrondingsverschillen.

Figuur 14: Percentage personen in de gemeente Groningen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar belangrijkste inkomensbron hoofdkostwinner, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  100% armoedegrens 110% armoedegrens 110% soc. min.
Uitkering sociale voorziening 26,1 57,5 76,7
Uitkering werkloosheid 17,2 26,3 24,6
Uitkering arbeidsongeschiktheid 10,2 20,9 24,2
Inkomen als zelfstandige 6,9 7,9 8,8
Inkomen als werknemer 4,1 5,5 2,4
Uitkering pensioen 2,2 4,2 12,7

Figuur 14 laat nog eens de verhoudingen tussen de verschillende armoedegrenzen en het sociaal minimum in 2024 zien. Verklaringen voor deze verschillen worden beschreven in paragraaf 2.4. Armoede komt in 2024 in de gemeente Groningen relatief het meest voor onder personen (in een huishouden) met een uitkering sociale voorziening. Bij het sociaal minimum is het aandeel inwoners in deze categorie nog een stuk hoger. Ook valt op dat het verschil tussen de 100%- en 110%-armoedegrens vrij groot is. Er zitten dus relatief veel mensen net boven de armoedegens.

Vervolgens komt armoede bij beide benaderingen het meest voor onder inwoners met een werkloosheidsuitkering en inwoners met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De verschillen tussen de 110%-armoedegrens en 110% van het sociaal minimum zijn hier een stuk kleiner. Het verschil tussen de 100%- en 110%-armoedegrens is wel vrij groot.

Verder valt op dat het aandeel personen met als belangrijkste inkomensbron een pensioenuitkering een stuk hoger is onder het sociaal minimum dan onder de 110%-armoedegrens.

Ten slotte komt armoede relatief weinig voor onder werknemers en zelfstandigen. Vooral bij het sociaal minimum is het aandeel werknemers met een inkomen tot 110% laag. Ondanks de lage percentages (dankzij de grote totale groep werknemers in de gemeente), maken werknemers een groot deel uit van de totale groep armen (zie figuur 15), veel groter dan onder het sociaal minimum.

Figuur 15: Totale groep personen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar belangrijkste inkomensbron hoofdkostwinner, gemeente Groningen, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Uitkering sociale voorziening Uitkering pensioen Uitkering arbeidsongeschiktheid Uitkering werkloosheid Studiefinanciering
100% armoedegrens (N=13.400) 45% 11% 32% 6% 4% 1% 2%
110% armoedegrens (N=22.200) 36% 7% 43% 7% 5% 1% 1%
110% soc. min. (N=22.200) 14% 8% 53% 19% 5% 1% 0%
totale bevolking (N=232.500) 62% 9% 7% 15% 2% 0% 4%

Door afronding tellen de percentages niet altijd exact op tot 100%.

Als we naar de samenstelling van de totale groep inwoners in armoede kijken, wordt duidelijk dat de groep vooral bestaat uit werknemers en mensen met een sociale voorziening (figuur 15). Ondanks een relatief laag percentage op het geheel van alle werknemers (figuur 14), vormen werknemers dus wel een groot onderdeel van de groep die weinig bestedingsruimte overhoudt na aftrek van de vaste lasten aan wonen, energie en zorg. Werknemers vormen een veel kleiner onderdeel van de totale groep inwoners die een inkomen tot 110% van het sociaal minimum heeft (14%). Het inkomen van werknemers komt dus vaak boven de grens van 110% van het sociaal minimum uit. Tegelijkertijd houden veel werknemers weinig bestedingsruimte over, waardoor ze onder de armoedegrens vallen.

Verder laat figuur 15 zien dat onder het sociaal minimum personen met een sociale voorziening de grootste groep is (53%). Onder de nieuwe armoedegrenzen is deze groep kleiner (32%-43%). Daarnaast valt ook hier op dat onder de armoedegrens pensioenontvangers in mindere mate deel uitmaken van de groep inwoners die moeilijk kan rondkomen. Bij 110% van het sociaal minimum heeft 19% inkomen uit pensioen; onder de armoedegrenzen is dit 6-7%.

De samenstelling van de groep inwoners tot de 110%-armoedegrens in de gemeente Groningen wijkt op een paar punten af van het landelijke beeld. Zo bestaat deze groep in Groningen voor een groter deel uit werknemers (36% tegenover 27% landelijk). Het aandeel inwoners met als belangrijkste inkomensbron pensioen is juist lager (7% tegenover 14%), net zoals het aandeel personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (5% tegenover 10% landelijk). Bij mensen met een uitkering sociale voorziening ligt het aandeel in de gemeente Groningen juist hoger (43% tegenover 38%).

Bij het sociaal minimum zijn er relatief gezien meer personen met als belangrijkste inkomensbron een sociale voorziening in de gemeente Groningen dan landelijk (53% tegenover 42% landelijk). Ook het aandeel met inkomen uit werk is groter in de gemeente (14% tegenover 10% landelijk). De groep met pensioen is kleiner in de gemeente (19% tegenover 28% landelijk).

3.6 Woningbezit

In deze paragraaf kijken we naar de (ontwikkeling van) armoede naar woningbezit. Allereerst toont figuur 16 de ontwikkeling van armoede en een laag inkomen in de gemeente Groningen. Vervolgens worden in figuur 17 de standgegevens over de 100%- en 110%-armoedegrens en de grens tot 110% van het sociaal minimum voor 2024 met elkaar vergeleken. Ten slotte geeft figuur 18 weer hoe de samenstelling van de groep inwoners tot de armoedegrenzen en het sociaal minimum eruitziet.

Figuur 16: Ontwikkeling percentage personen tot 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar woningbezit, gemeente Groningen, 2018-2024*

110% van de armoedegrens

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Eigen woning Huurwoning geen huurtoeslag Huurwoning met huurtoeslag
2018 1,9 12,6 53,3
2019 1,7 11,5 49,9
2020 1,3 10,7 40,9
2021 1,2 9,6 41,9
2022 0,9 9,8 31,3
2023 0,8 10,2 22
2024* 0,9 10,7 26,9

110% van het sociaal minimum

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Eigen woning Huurwoning geen huurtoeslag Huurwoning met huurtoeslag
2018 1 7,4 53,4
2019 0,9 6,9 53,3
2020 0,8 7,5 49
2021 0,8 6,5 47,6
2022 0,8 6,3 47
2023 0,8 6,8 44,8
2024* 0,8 7 43,2

Bij figuur 16 springt de verandering bij huurders met huurtoeslag bij de armoedegrens het meest in het oog. In 2018 ligt het aandeel in beide benaderingen vrijwel gelijk (ongeveer 53%). Daarna loopt de ontwikkeling uiteen; de 110%-armoedegrens zit in 2024 op 26,9% en de 110%-sociaal-minimumgrens op 43,2%. In aantallen komt dit neer op een daling van 24.400 naar 13.500 personen bij de 110%-armoedegrens. Bij het sociaal minimum is er een afname van 19.700 naar 17.700 personen. Verder valt bij de armoedegrens op dat het aandeel huurders met huurtoeslag in 2024 toeneemt ten opzichte van 2023. Bij het sociaal minimum neemt het aandeel juist verder af.

Het aandeel personen in armoede met een eigen woning en een huurwoning zonder huurtoeslag ontwikkelde zich bij beide benaderingen op een vergelijkbare manier. Ondanks de geringe procentuele ontwikkeling, gaat het in het geval van inwoners met een eigen woning bij de 110%-armoedegrens om een daling van 1.000 inwoners tussen 2018 en 2024; van 2.000 naar 1.000. Bij 110% van het sociaal minimum is de daling in dezelfde periode van een andere orde, namelijk van 1.000 naar 900. Deze sterke afname onder de armoedegrens sluit aan bij het landelijke beeld.

Het aantal personen in een huurwoning zonder huurtoeslag tot de 110%-armoedegrens nam in dezelfde periode met 600 af, tot 7.700. Bij het sociaal minimum blijft het aandeel vrij constant. In 2024 gaat het om 3.500 personen in een huurwoning zonder huurtoeslag.

Figuur 17: Percentage personen in de gemeente Groningen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar woningbezit, 2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  100% armoedegrens 110% armoedegrens 110% soc. min.
Eigen woning 0,7 0,9 0,8
Huurwoning (totaal) 10,4 17,4 23,4
Huurwoning geen huurtoeslag 9 10,7 7
Huurwoning met huurtoeslag 12,6 26,9 43,2

Figuur 17 laat nogmaals het grote verschil tussen het sociaal minimum en de armoedegrenzen bij huurders met huurtoeslag zien. Waar de armoedegrenzen lager zijn bij huurwoning met huurtoeslag, zijn die juist iets hoger bij huurwoning zonder huurtoeslag. Zie paragraaf 2.4 voor een toelichting. Wanneer studentenhuishoudens niet meegeteld worden in de doelpopulatie van de armoedegrens, wordt de noemer van huurders zonder huurtoeslag een stuk kleiner. Er zijn namelijk veel studentenhuishoudens die geen huurtoeslag ontvangen. Doordat de noemer kleiner wordt, wordt het aandeel huurders zonder huurtoeslag tot de armoedegrens groter (14,5%).

Ook laat de figuur duidelijk zien dat armoede en een laag inkomen weinig voorkomt onder eigenwoningbezitters. Ten slotte komt armoede relatief weinig voor onder inwoners met een eigen woning.

Figuur 18: Totale groep personen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum, naar woningbezit, gemeente Groningen, 2024

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Eigen woning Huurwoning geen huurtoeslag Huurwoning met huurtoeslag
100% armoedegrens (N=13.400) 5% 48% 47%
110% armoedegrens (N=22.200) 5% 35% 61%
110% soc. min. (N=22.200) 4% 16% 80%
totale bevolking (N=232.500) 48% 31% 22%

Figuur 18 laat zien hoe de totale groep inwoners tot de armoedegrenzen en het sociaal minimum is verdeeld naar woningbezit. Ook hier wordt duidelijk dat eigenwoningbezitters een klein deel uitmaken van deze groep; 5% onder de verschillende armoedegrenzen, 4% onder 110% van het sociaal minimum. Verder is het aandeel inwoners met huurtoeslag lager onder de armoedegrenzen. Van de groep inwoners met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum woont 80% in een huurwoning met huurtoeslag. Onder de nieuwe armoedegrenzen ligt dit aandeel beduidend lager: 47% tot 61%. Het aandeel personen zonder huurtoeslag is een stuk groter, vooral onder de 100%-armoedegrens. Ook hier wordt duidelijk dat de nieuwe armoedegrens meer huurders zonder huurtoeslag in beeld brengt.

De samenstelling van de groep inwoners tot de 110%-armoedegrens in de gemeente Groningen wijkt iets af van het landelijke beeld. Zo bestaat deze groep in Groningen voor een kleiner deel uit eigen woningbezitters (5% tegenover 10% landelijk). Het aandeel huurders zonder huurtoeslag is iets hoger (35% tegenover 32% landelijk), net zoals het aandeel huurders met huurtoeslag (61% tegenover 58% landelijk). Ook bij het sociaal minimum zijn er geen grote verschillen tussen de gemeente Groningen en landelijke cijfers.

3.7 Herkomst

In deze paragraaf kijken we naar de (ontwikkeling van) armoede naar herkomst. Het gaat hierbij om de herkomst van de hoofdkostwinner van het huishouden. Omdat voor het sociaal minimum geen openbare gegevens bekend zijn over herkomst, beperken we ons hier tot de 110%-armoedegrens. Allereerst toont figuur 19 de ontwikkeling van armoede in de gemeente Groningen. Vervolgens laat figuur 20 zien hoe de samenstelling van de groep inwoners tot de armoedegrenzen eruitziet.

Figuur 19: Ontwikkeling percentage personen tot 110% van de armoedegrens, naar herkomst, gemeente Groningen, 2018-2024*

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Hoofdkostwinner geboren in NL, ouders in NL Hoofdkostwinner geboren in NL, 1 ouder in NL Hoofdkostwinner geboren in NL, 2 ouders buiten NL Hoofdkostwinner geboren buiten Nederland
2018 12 17,7 25,4 34,8
2019 11 16,5 23,4 31,7
2020 9,5 14,2 19,4 28,1
2021 9,3 14 20,2 26,8
2022 7,1 10,7 15,9 22,3
2023 5,4 8,2 11,8 19
2024* 6,4 9,1 14,3 21,8

Figuur 19 laat zien dat de verschillende herkomstgroepen zich vergelijkbaar ontwikkelen. Tussen 2018 en 2023 is er sprake van een daling, met uitzondering van het jaar 2021. Verder valt vooral de duidelijke stijging in 2024 op. Voor personen in huishoudens waarvan de hoofdkostwinner buiten Nederland is geboren, daalde het aantal tot de 110%-armoedegrens tussen 2018 en 2024 van 10.800 naar 9.200. Bij personen in huishoudens waarvan de hoofdkostwinner een Nederlandse achtergrond heeft, is de absolute afname tussen 2018 en 2024 sterker; 20.800 naar 11.100 personen.

Armoede komt in de gemeente Groningen duidelijk relatief gezien het vaakst voor onder inwoners in huishoudens waarvan de hoofdkostwinner buiten Nederland is geboren. Van deze groep valt 13,8% onder de 100%-armoedegrens en 21,8% onder de 110%-armoedegrens. Armoede komt relatief minder vaak voor onder personen van wie de hoofdkostwinner in Nederland is geboren en diens ouders ook. Het gaat bij de 6,4% bij de 110%-armoedegrens.

Figuur 20: Totale groep personen tot 100% en 110% van de armoedegrens, naar herkomst, gemeente Groningen, 2024

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Hoofdkostwinner geboren in NL, ouders in NL Hoofdkostwinner geboren in NL, 1 ouder in NL Hoofdkostwinner geboren in NL, 2 ouders buiten NL Hoofdkostwinner geboren buiten Nederland
100% armoedegrens (N=13.400) 48% 5% 3% 44%
110% armoedegrens (N=22.200) 50% 5% 3% 41%
totale bevolking (N=232.500) 74% 6% 2% 18%

Door afronding tellen de percentages niet altijd exact op tot 100%.

Hoewel armoede in de gemeente Groningen relatief weinig voorkomt onder personen van wie zowel de hoofdkostwinner als diens ouders in Nederland zijn geboren, vormen zij in aantallen de grootste herkomstgroep binnen de totale groep inwoners in armoede (zie figuur 20). Verder bestaat de groep voor 41% tot 44% uit personen met een hoofdkostwinner die buiten Nederland is geboren. Het aandeel inwoners waarvan de hoofdkostwinner in Nederland geboren is en één of twee ouders buiten Nederland geboren zijn, is relatief klein; 8%.

De samenstelling van de groep inwoners tot de 110%-armoedegrens in de gemeente Groningen wijkt iets af van het landelijke beeld. Zo bestaat deze groep in Groningen voor een groter deel uit personen waarvan de hoofdkostwinner en diens ouders in Nederland geboren zijn (50% tegenover 38% landelijk). Het aandeel personen met een hoofdkostwinner die buiten Nederland geboren is, is juist lager in de gemeente (41% tegenover 52% landelijk.