Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Methodologie: de armoedegrens en het sociaal minimum

(titel verborgen)

De gemeente Groningen baseerde haar inzichten over armoede tot nu toe op de sociale minimumgrens, berekend door het CBS. In 2025 hebben het CBS, SCP en Nibud een nieuwe methode ontwikkeld om armoede te meten. Door deze nieuwe meetmethode komen de cijfers over armoede in de gemeente er anders uit te zien. Niet alleen in aantallen, maar ook in de samenstelling van de groep inwoners die in armoede leeft. Dit hoofdstuk beschrijft de basis van deze verschillen; het geeft een definitie van het sociaal minimum en de armoedegrens, legt uit wat de maandinkomens voor verschillende huishoudtypen bij beide benaderingen zijn en beschrijft wat het verschil in doelpopulaties betekent voor de cijfers.

Kortgezegd geeft het sociaal minimum aan of een huishouden een laag inkomen heeft: het inkomen ligt onder het sociaal minimum. De armoedegrens kijkt breder en gaat na of een huishouden na het betalen van vaste lasten aan wonen, energie en zorg genoeg geld overhoudt voor overige basisbehoeften en of er spaargeld achter de hand is.

2.1 Definities

Sociaal minimum

Voor het bepalen van armoede op basis van het sociaal minimum berekent het CBS voor ieder huishouden de verhouding tussen het besteedbaar jaarinkomenc en het sociaal minimum. Het sociaal minimum is hierbij het wettelijk bestaansminimum zoals dat elk jaar in de politieke besluitvorming is vastgesteld. Het gaat om een vastgesteld normbedrag per huishoudtype, dat aangeeft wat minimaal nodig is om in het levensonderhoud te voorzien. Het sociaal minimum is tot aan de pensioengerechtigde leeftijd gelijk aan de hoogte van een bijstandsuitkering; daarna is het gebaseerd op de AOW-uitkering2. Dit bedrag wordt aangevuld met kinderbijslag, kindgebonden budget, zorgtoeslag, huurtoeslag en in sommige jaren incidentele koopkrachttegemoetkomingen. De premie voor de basiszorgverzekering en het verplichte eigen risico worden van het bedrag afgehaald. Bijzondere bijstand en kinderopvangtoeslag blijven buiten beschouwing. Om te bepalen of een huishouden onder of boven het sociaal minimum uitkomt, deelt het CBS het besteedbaar jaarinkomen van het huishouden door het wettelijk vastgestelde bedrag van het sociaal minimum. In dit rapport hanteren we de grens tot 110% van het sociaal minimum.
Samengevat; het sociaal minimum is een inkomensnorm, en gaat feitelijk over het aantal en aandeel inwoners dat in een huishouden met een laag inkomen woont.

Inkomsten die het besteedbaar inkomen vormen zijn: inkomen uit arbeid, eigen onderneming en vermogen, uitkeringen (WW, arbeidsongeschiktheid, pensioen, bijstand), huur- en zorgtoeslag, kinderbijslag, kindgebonden budget, studiefinanciering en ontvangen partneralimentatie. Hierop worden betaalde rente op schulden, betaalde partneralimentatie, premies (inclusief de basiszorgverzekering) en belastingen in mindering gebracht.

Armoedegrens

Het uitgangspunt van de armoedegrens is de vraag of een huishouden kan rondkomen van het inkomen, de uitgaven en het vermogen. Er wordt nagegaan of er voor een huishouden voldoende geld overblijft na het betalen van woonlasten, energiekosten en zorg om te besteden aan minimale levensbehoeften1. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om boodschappen, kleding, wonen, vervoer, telefoon en internet, verzekeringen en sociale activiteiten. Het Nibud heeft voor 35 verschillende huishoudtypen vastgesteld welke minimumbedragen nodig zijn om goed mee te kunnen doen in de samenleving. Er wordt dus voor elk huishouden vastgesteld wat de werkelijke uitgaven zijn aan wonen, energie en zorg:

  • Voor huurders zijn de werkelijke woonuitgaven gelijk aan de betaalde netto huur. Voor woningeigenaren gaat het om de werkelijke uitgaven aan de exploitatiekosten (kosten grootonderhoud, kosten erfpacht, kosten opstalverzekeringen en onroerendezaakbelasting) en de netto betaalde hypotheekrente. Wanneer deze bedragen niet bekend zijn, worden deze geschat.
  • De energierekening wordt per huishouden geschat door het eigen (waargenomen) verbruik te vermenigvuldigen met het gemiddelde energietarief dat past bij het normverbruik van het woningtype waarin het huishouden woont.
  • Bij zorgkosten gaat het om de premie voor de basiszorgverzekering en het verplichte eigen risico. Kosten voor zorg die niet onder het basispakket vallen en die dus voor eigen rekening komen, worden niet meegenomen.

Daarnaast komt bij de nieuwe armoedegrens het vermogen van een huishouden in beeld. Er wordt gekeken naar het direct te besteden vermogen en financiële bezittingen als spaargeld en aandelen. De eigen woning telt dus niet mee. Wanneer een huishouden na aftrek van woonlasten, energiekosten en zorg onder de armoedegrens uitkomt, maar voldoende buffer heeft om dit op te vangen, wordt het dus niet aangemerkt als arm. Hier geldt dat een huishouden minimaal een jaar van de vermogensbuffer kan leven op niveau van de armoedegrens.

Samengevat: een huishouden komt onder de armoedegrens uit als het, na het betalen van woon-, energie- en zorglasten, niet genoeg geld overhoudt voor overige basisbehoeften. Ook wordt hierbij rekening gehouden met het direct inzetbare vermogen. De hoogte van de armoedegrens verschilt per huishoudtype. De volgende paragraaf gaat hier dieper op in.

2.2 Maandbedragen per huishoudtype

Tabel 1 vergelijkt de maandbedragen van het besteedbaar inkomen van huishoudens voor het sociaal minimum en de armoedegrens. Op een aantal punten verschillen de maandbedragen van elkaar. Voor huishoudens met kinderen en AOW-gerechtigden ligt het sociaal-minimumniveau hoger dan de armoedegrens. Dit betekent dat deze groepen bij het sociaal minimum eerder als arm aangemerkt worden dan bij de armoedegrens.

Aan de andere kant zijn de maandbedragen voor alleenwonenden en paren zonder kinderen tot de AOW-leeftijd iets hoger onder de armoedegrens. Zij worden bij de armoedegrens dus eerder als arm aangemerkt dan bij het sociaal minimum.

Verder valt op dat bij het sociaal minimum de bedragen voor alleenstaanden tot en vanaf de AOW-leeftijd van elkaar verschillen (respectievelijk 1.575 euro en 1.830 euro). Onder de armoedegrens verdwijnt dit onderscheid. Het normbedrag is dan voor alle alleenstaanden, zowel onder als boven de AOW-leeftijd, 1.600 euro. Vooral bij ouderen verschuift er veel ten opzichte van het sociaal minimum: zij vallen (onder andere) op basis van inkomen minder snel onder de armoedegrens. In paragraaf 3.4 zien we dan ook de dat grootte van de groep ouderen bij de armoedegrens kleiner is dan bij het sociaal minimum. Voor het bepalen van bijvoorbeeld de 110%-grens moeten de bedragen vermenigvuldigd worden met een factor 1,10.

Tabel 1: Maandbedragen besteedbaar inkomen voor sociaal minimum en armoedegrens, 2024

   Alleenwonend tot AOW Paar tot AOW,
geen kind
Paar tot AOW,
1 tot 3 kinderen
Eenoudergezin,
1 tot 3 kinderen
AOW-gerechtigd,
alleenwonend
AOW-gerechtigd,
paar
sociaal minimum 1.575 2.095 2.440-3.085 2.210-2.855 1.830 2.350
armoedegrens 1.600 2.145 2.405-2.845 1.980-2.440 1.600 2.145

2.3 Afbakening van de doelgroep

Los van de verschillende benaderingen van armoede bij de armoedegrens en het sociaal minimum, hanteren beide benaderingen een andere doelpopulatie. Met doelpopulatie bedoelen we de totale groep inwoners die in de bepaling van het armoedepercentage wordt meegeteld.

Bij het sociaal minimum vallen onder de doelpopulatie particuliere huishoudens, exclusief huishoudens met een onvolledig jaarinkomen, studentenhuishoudens en institutionele huishoudens. Onvolledige jaarinkomens zijn vaak het gevolg van overlijden of emigratie in de loop van het jaar.

Bij de armoedebenadering behoren huishoudens met een onvolledig jaarinkomen en studentenhuishoudens wél tot de doelpopulatie1. De doelpopulatie van de armoedegrens is daardoor een stuk groter in de gemeente Groningen; er wonen immers veel studenten in de stad. Bij de armoedegrens omvat de doelpopulatie in de gemeente 232.500 personen, daarvan zijn er 25.300 student. Bij het sociaal minimum telt de doelpopulatie 200.500 personen.

Waar beide benaderingen in overeenkomen, is dat studentenhuishoudens niet meegerekend worden in het aantal armen. Het CBS kan namelijk geen goed beeld vormen van de inkomenssituatie van studentenhuishoudens. Dit betekent dat de totale groep waarover het percentage armoede berekend wordt, dus de noemer, groter is bij de armoedebenadering dan bij het sociaal minimum. Dit levert bij dezelfde aantallen, andere percentages op. Bij de armoedegrens is dit percentage dus lager dan bij het sociaal minimum, omdat de noemer bij de armoedegrens groter is. Het CBS geeft in hun tabellen voor de volledigheid ook aan hoeveel studenten deel uitmaken van elke afzonderlijke groep. Waar relevant, wordt dit genoemd in hoofdstuk 3. Figuur 1 geeft een overzicht van de totstandkoming van de armoedegrens en het sociaal minimum.

Figuur 1: Overzicht totstandkoming armoedegrens en sociaal minimum

2.4 Verschuivingen door de meetmethode

De armoedegrens brengt ten opzichte van het sociaal minimum deels andere groepen in beeld die het financieel moeilijk hebben. Deze verschillen komen naar voren in hoofdstuk 3. Deze paragraaf bespreekt wat de belangrijkste verschillen zijn en welke verklaringen hiervoor zijn.

Minder ouderen

Ouderen hebben vaker lagere woonlasten (door bijvoorbeeld een (bijna) afbetaalde woning) en een (hogere) financiële buffer. Hierdoor blijft er voor hen na het betalen van woonlasten, energielasten en zorg vaker voldoende bestedingsruimte over. Op deze manier komen zij vaker boven de ar-moedegrens uit.

Naast dat ouderen vaker een hogere buffer en lagere lasten hebben, is er een methodologische verklaring voor het feit dat minder ouderen onder de armoedegrens vallen. Bij het sociaal minimum ligt de inkomensgrens vanaf de AOW-leeftijd op de hoogte van de AOW-uitkering, in plaats van op bijstandsniveau. Bij de armoedegrens is dit onderscheid er niet en ligt de inkomensgrens voor alleenwonenden en paren zonder kinderen voor alle leeftijden op dezelfde hoogte. Daardoor is de inkomensgrens voor AOW-gerechtigden bij de armoedegrens lager (zie tabel 1). Een groep ouderen valt daardoor wel onder 110% van het sociaal minimum, maar boven de armoedegrens. Deze groep wordt dus niet aangemerkt als arm. Bovendien is het sociaal minimum alleen een inkomensnorm, die geen rekening houdt met de bestedingsruimte en het vermogen. Doordat de AOW vaak dicht bij het minimumniveau ligt, komt het inkomen van pensioenhuishoudens vaker onder 110% van het sociaal minimum uit.

Meer jongeren

Waar ouderen vaker boven de armoedegrens uitkomen, komen inwoners met een jonge hoofdkostwinner juist meer in beeld als groep die weinig bestedingsruimte heeft. Hun inkomen komt dus in principe vaak boven 110% van het sociaal minimum uit, maar deze groep houdt volgens de armoedegrens vaker te weinig geld over om rond te kunnen komen. Dit komt onder andere doordat jongeren vaak alleen wonen en dus afhankelijk zijn van één inkomen, een groter deel van hun inkomen kwijt zijn aan wonen en doorgaans een kleine vermogensbuffer hebben. Het CBS geeft aan dat tegen 25 jaar de armoedepercentages een piek bereiken. Dit heeft te maken met het feit dat men dan de opleiding afrondt en het inkomen vaak nog laag en instabiel is. In de gemeente Groningen zijn er in verband met de vele studenten in de stad waarschijnlijk relatief veel mensen die in deze situatie zitten.

Minder eenoudergezinnen

Eenoudergezinnen hebben relatief gezien vaak een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. Tegelijkertijd wordt onder de armoedegrens duidelijk dat veel van deze gezinnen toeslagen krijgen, bijvoorbeeld kindgebonden budget en huurtoeslag, of voldoende financiële buffer hebben. Hierdoor blijft er na het betalen van de vaste lasten aan wonen, energie en zorg voor deze gezinnen voldoende geld over om van rond te komen. Daardoor is het aantal eenoudergezinnen tot de armoedegrens een stuk lager.

Meer werkenden

Werkenden in loondienst, en in mindere mate zelfstandigen, komen in de gemeente Groningen meer in beeld bij de nieuwe armoedegrens. Dit komt doordat de armoedegrens uitgaat van wat er aan be-stedingsruimte overblijft na de vaste lasten. Huishoudens die een redelijk inkomen hebben, maar tegelijkertijd hoge lasten hebben en weinig financiële buffer, kunnen daardoor onder de armoede-grens uitkomen. Dit blijft onderbelicht bij het sociaal minimum, aangezien deze alleen iets zegt over de hoogte van het inkomen. Het CBS3 stelt dat armoede onder werkenden vooral voorkomt bij al-leenwonenden en eenoudergezinnen, omdat deze huishoudens doorgaans afhankelijk zijn van één inkomen. Ook werkenden met een migratieachtergrond zijn relatief vaak arm.

Minder huurders met huurtoeslag, meer huurders zonder huurtoeslag

Onder de armoedegrens komen huurders zonder huurtoeslag meer in beeld; zij vallen vaker onder de armoedegrens dan onder het sociaal minimum. Voor huurders met huurtoeslag geldt het tegenovergestelde: zij worden minder als arm aangemerkt, maar hebben juist vaker een laag inkomen tot 110% van het sociaal minimum. Dit verschil is groot omdat bij het sociaal minimum alleen het besteedbaar inkomen (inclusief toeslagen) wordt vergeleken met de inkomensgrens. Er wordt dus geen rekening gehouden met verschillen in woonlasten tussen huishoudens. De armoedegrens bepaalt armoede op basis van wat huishoudens overhouden na de vaste lasten. Ook hier telt huurtoeslag mee in het besteedbaar inkomen, maar bij de armoedegrens werkt dit sterker door omdat huurtoeslag de woonlasten verlaagt. De bestedingsruimte die overblijft is daardoor bij huurders met huurtoeslag groter, waardoor zij minder vaak als arm worden aangemerkt. Bij huurders zonder huurtoeslag wordt duidelijk dat zij, door hogere netto woonlasten, minder financiële ruimte overhouden voor basisbehoeften. Hierbij gaat het vaak om mensen in een particuliere huurwoning.

Minder personen met een sociale uitkering

Beleidsmaatregelen zoals de energietoeslag, een huurverlaging en verruiming van huurtoeslag en kindgebonden budget hebben ertoe geleid dat huishoudens met een sociale uitkering relatief vaker boven de armoedegrens uitkomen3. Dit terwijl zij qua inkomen onder het sociaal minimum blijven. Hierdoor is het aandeel uitkeringsontvangers kleiner binnen de groep inwoners tot de armoedegrens.

Minder kinderen

Gezinnen met kinderen hebben uitgaande van de armoedegrens minder vaak moeite om rond te ko-men. Vergeleken met het sociaal minimum is hun aantal een stuk lager. Dit heeft volgens het CBS te maken met dat wanneer hun huishoudinkomen vrij laag is, zij onder het sociaal minimum uitkomen. Tegelijkertijd kunnen zij ook vaak gebruik maken van toeslagen zoals kindgebonden budget en huur-toeslag. Daardoor houden zij volgens de nieuwe normen voldoende bestedingsruimte over.