Inleiding
Inleiding (titel verborgen)
Om zicht te krijgen op inwoners en huishoudens die moeten rondkomen van weinig geld, maakt Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) sinds een aantal jaar een armoedemonitor. De armoedemonitor geeft inzicht in (de ontwikkeling van) aantallen inwoners die te maken hebben met armoede. Ook worden deze cijfers uitgesplitst naar verschillende achtergrondkenmerken. De directie Maatschappelijke Ontwikkeling heeft aan OIS gevraagd om een armoedemonitor over het jaar 2024 te maken. De cijfers over 2024 zijn momenteel de meest recente cijfers.
Eerder werd de armoedemonitor uitsluitend gebaseerd op gegevens over het sociaal minimum. Deze cijfers, afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), brachten in beeld hoeveel huishoudens een laag inkomen hadden. Een nieuw onderdeel van deze armoedemonitor is de nieuwe armoedegrens, een meetmethode die in 2024 is ontwikkeld door het CBS, SCP en Nibud1. Voorheen werd armoede door deze instanties op verschillende manieren gemeten. Door de nieuwe meetmethode is er één uniform meetinstrument beschikbaar. Bij de nieuwe armoedegrens gaat het niet (alleen) om het hebben van een laag inkomen, maar om de vraag of huishoudens genoeg bestedingsruimte overhouden. Daarbij kijkt het CBS niet alleen naar de hoogte van het inkomen, maar ook naar de werkelijke individuele kosten voor wonen en energie. Ook wordt nagegaan of huishoudens een financiële buffer hebben. Door de invoering van de nieuwe meetmethode vallen sommige groepen inwoners nu wél binnen de doelgroep ‘arm’ en anderen juist niet meer. Hierdoor wijkt de omvang en samenstelling van de groep inwoners met weinig bestedingsruimte af van de lage-inkomensbepaling op basis van het sociaal minimum. Deze armoedemonitor schetst de omvang en ontwikkeling van het aantal en aandeel inwoners tot de verschillende armoedegrenzen en tot 110% van het sociaal minimum. Ook de vergelijking tussen het sociaal minimum en de nieuwe armoedegrens krijgt in deze armoedemonitor een prominente plek.
In dit rapport maken we gebruik van vaste afbakeningen om inwoners met een inkomen tot een bepaald percentage van de armoedegrens en van het sociaal minimum in beeld te brengen. Deze grenzen helpen om ontwikkelingen te volgen en groepen te vergelijken. Tegelijkertijd is armoede niet eenduidig: ook inwoners die boven de grens uitkomen kunnen in de praktijk moeite hebben om rond te komen.
1.1 Werkwijze
Deze armoedemonitor beschrijft de ontwikkeling van armoede in de gemeente Groningen van 2018 tot 2024. Voor 2024 gaat het om voorlopige cijfers. Om deze reden staat er bij het jaar 2024 steeds een *. De cijfers in dit rapport zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Door het combineren van verschillende bronnen, kan het CBS een beeld schetsen van het inkomen en vermogen van vrijwel elke inwoner en elk huishouden in Nederland. Het CBS presenteert inkomenscijfers afgerond op honderdtallen, in dit rapport hanteren we daarom dezelfde afronding.
In dit rapport kiezen we ervoor om te kijken naar groepen inwoners met een inkomen tot 100% en 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum. Voor de 100%-grens sluiten we aan bij de gangbare afbakening van het CBS: armoede wordt door hen doorgaans gedefinieerd als een inkomen tot 100% van de armoedegrens. In de gemeente Groningen komen in 2024 de aantallen bij 110% van de armoedegrens en 110% van het sociaal minimum exact overeen, waardoor deze drempels zich goed lenen voor een onderlinge vergelijking. Voor de grens van 110% van het sociaal minimum is gekozen om aan te sluiten bij de eerdere armoedemonitoren. In de bijlage van dit rapport zijn tabellenoverzichten opgenomen over de drie genoemde grenzen. Aangezien veel gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen gebaseerd zijn op 120% van het sociaal minimum, bevat de bijlage ook een tabel over personen met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum.
In eerdere edities bracht de armoedemonitor vooral huishoudens in beeld met een inkomen tot x% van het sociaal minimum. Het CBS publiceert over de nieuwe armoedegrens voornamelijk gegevens over personen. Om deze reden presenteren we in deze armoedemonitor aantallen en percentages personen onder de armoedegrenzen en het sociaal minimum. Het gaat om het huishoudinkomen; bij bijvoorbeeld een gezin met twee ouders en een minderjarig kind, waarbij één ouder in loondienst werkt en de ander een werkloosheidsuitkering heeft, hebben alle drie de huishoudleden hetzelfde huishoudinkomen.
1.2 Leeswijzer
We beginnen in hoofdstuk 2 met de methodologie rond de armoedegrens en het sociaal minimum. Het hoofdstuk geeft definities en bespreekt de maandinkomens per huishoudtype bij beide benaderingen. Ook wordt toegelicht welke groepen inwoners meegenomen worden in de berekening van armoede en hoe deze doelpopulaties bij beide benaderingen van elkaar verschillen. Ten slotte geeft paragraaf 2.4 een beeld van de verschuivingen in de samenstelling van de groepen inwoners die onder de armoedegrens en het sociaal minimum vallen. Vervolgens beschrijft hoofdstuk 3 de (ontwikkeling van de) cijfers over armoede en een laag inkomen in de gemeente Groningen en in vergelijking met landelijke cijfers. Dit hoofdstuk geeft daarnaast inzicht in hoeverre armoede voorkomt onder verschillende groepen inwoners in de gemeente Groningen. De 100%- en 110%-armoedegrens en de grens tot 110% van het sociaal minimum worden hier met elkaar vergeleken. Tot slot gaat hoofdstuk 4 dieper in op kinderen in armoede.