Conclusie
Deze armoedemonitor laat het hebben van weinig geld vanuit twee perspectieven zien. Het sociaal minimum brengt de groep inwoners in beeld die een laag inkomen heeft, terwijl de armoedegrens weergeeft wie na het betalen van vaste lasten genoeg geld overhoudt voor overige basisbehoeften en of er spaargeld achter de hand is. Daardoor zijn de uitkomsten niet één-op-één vergelijkbaar, maar aanvullend. Samen geven ze een genuanceerd beeld van welke groepen moeite (kunnen) hebben met rondkomen. Hierbij benadrukken we dat er verschillende grenzen zijn om armoede en een laag inkomen te meten. Bij toepassing van andere grenzen kan het beeld van armoede er anders uitzien. Dit wil ook zeggen dat armoede niet eenduidig is: ook personen die boven de grens uitkomen kunnen moeite hebben om rond te komen.
Tussen 2018 en 2024 is het aandeel en aantal inwoners dat onder de armoedegrens valt flink afgenomen. Ook het aandeel inwoners met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum is iets gedaald. Desondanks blijft de gemeente Groningen zowel bij de armoedegrenzen als bij het sociaal minimum relatief hoog scoren in vergelijking met andere gemeenten.
Uit de analyse komt naar voren dat langdurige armoede sterk afneemt, terwijl een langdurig laag inkomen veel stabieler blijft en in de gemeente Groningen vaak voorkomt. Alhoewel deze resultaten niet één-op-één vergelijkbaar zijn, omdat het bij de armoedegrens om drie opeenvolgende jaren gaat en bij het sociaal minimum om vier opeenvolgende jaren, is het verschil van belang. Een daling van langdurige armoede betekent dus niet automatisch dat het langdurig hebben van een laag inkomen verdwijnt.
Het aantal kinderen dat onder de armoedegrens valt is sterk gedaald. Dit wijst erop dat minder gezinnen geld tekortkomen na het betalen van vaste lasten aan wonen, energie en zorg. Tegelijkertijd blijft het aantal kinderen dat opgroeit in een huishouden tot 110% van het sociaal minimum een stuk groter. Dit betekent dat er in de gemeente Groningen een behoorlijke groep gezinnen is die een laag inkomen heeft, maar waarvan een deel niet onder de armoedegrens valt. Dit komt bijvoorbeeld doordat zij gebruik maken van toeslagen en het kindgebonden budget of voldoende financiële buffer hebben.
Wanneer we de samenstelling van de groep inwoners tot de armoedegrens en het sociaal minimum vergelijken, komen er deels andere groepen naar voren.
- Onder de 110%-armoedegrens zijn vaker zichtbaar: werkenden, inwoners met een jonge hoofdkostwinner en huurders zonder huurtoeslag
- Onder 110% van het sociaal minimum zijn meer in beeld: ouderen/gepensioneerden, gezinnen met kinderen, huurders met huurtoeslag en ontvangers van een sociale uitkering.
Eenpersoonshuishouden vormen bij beide benaderingen een groot deel van de groep. Aangewezen zijn op één inkomen is daarmee een kwetsbaarheid. Bij de armoedegrens bestaat deze groep echter meer uit jongeren en werkenden en bij het sociaal minimum meer uit ouderen en mensen met een sociale uitkering.
Deze verschillen volgen uit de methodiek van beide benaderingen. Onder de armoedegrens komen groepen met relatief hoge vaste lasten en weinig spaargeld in beeld. Bij het sociaal minimum gaat het alleen om de hoogte van het inkomen.