Spring naar inhoud

Toegankelijkheid:

Conclusie

Conclusie (titel verborgen)

Diversiteit leerlingenpopulatie

Het absolute aantal leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs in de gemeente Groningen vertoont sinds 2016 een dalende trend, die in 2024 doorzet. Als we kijken naar het opleidingsniveau van de ouders van de leerlingen, zien we een stijgende trend: steeds meer ouders zijn hoger opgeleid en steeds minder ouders middelbaar of lager opgeleid. Het huishoudinkomen van de leerlingenpopulatie laat een minder sterk stijgende trend zien, met name bij ouders van kinderen in het basisonderwijs: steeds meer ouders hebben een hoger huishoudinkomen. Wat betreft de migratieachtergrond van de leerlingenpopulatie zien we met name een stijging in het percentage leerlingen met een Europese en niet-Europese achtergrond. Dit gaat samen met een daling van het percentage leerlingen met een Nederlandse achtergrond. 

Segregatie in het onderwijs

De dissimilariteit in het onderwijs naar opleidingsniveau, gestandaardiseerd huishoudinkomen en migratieachtergrond laat zien dat de ontwikkeling van onderwijssegregatie in de gemeente Groningen sterk verschilt per kenmerk.

Segregatie naar opleidingsniveau van de ouders

In het basisonderwijs is er sprake van een duidelijke toename van segregatie op basis van het opleidingsniveau van de ouders van de leerlingen. Zowel de gemiddelde dissimilariteitsscore als het aandeel scholen met een hoge dissimilariteit nemen gemiddeld toe over de jaren. Deze ontwikkeling is vooral zichtbaar in het bijzonder onderwijs, waar scholen in de loop der tijd minder gemengd zijn geworden. Dit kan zich uiten in basisscholen waarbij de ouders van de leerlingen overwegend hoogopgeleid zijn, of overwegend laag opgeleid. Met andere woorden: kinderen van ouders met verschillende opleidingsniveaus komen elkaar steeds minder vaak tegen op bijzondere scholen. 

In het voortgezet onderwijs laat de dissimilariteitsscore een ander beeld zien. Na een duidelijke afname tussen 2012 en 2016 stabiliseert de score rond een lager niveau dan in 2012. Dit betekent dat leerlingen met verschillende opleidingsachtergronden elkaar in het voortgezet onderwijs gemiddeld vaker ontmoeten dan voorheen. Wanneer we kijken naar het aandeel scholen met een hoge dissimilariteitsscore, ontstaat een minder stabiel beeld. Dit aandeel neemt eerst af en stijgt daarna weer, waardoor het in recente jaren opnieuw op een relatief hoog niveau ligt. Dit wijst erop dat, ondanks de lagere gemiddelde dissimilariteit, nog steeds een groot deel van de voortgezet onderwijs scholen een gesegregeerde samenstelling heeft.

Segregatie naar huishoudinkomen

Voor het gestandaardiseerd huishoudinkomen is het beeld qua segregatie stabiel. In zowel het primair als voortgezet onderwijs schommelen de dissimilariteitsscores en het aandeel scholen met een hoge dissimilariteit zonder duidelijke structurele stijging of daling. Wel blijft, net als bij opleidingsniveau, het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs zichtbaar: bijzonder onderwijs kent structureel hogere niveaus van segregatie, terwijl het openbaar onderwijs juist gemengder is geworden. Desondanks ligt het aandeel scholen met een hoge dissimilariteitsscore in 2024 rond de 32% voor het basisonderwijs en rond de 24% voor het voortgezet onderwijs, wat aangeeft dat een derde tot een vierde van de scholen een relatief eenzijdige leerlingenpopulatie hebben naar huishoudinkomen.

Segregatie naar migratieachtergrond

Voor migratieachtergrond zien we een consistent andere ontwikkeling. In zowel het basis als het voortgezet onderwijs is sprake van een duidelijke afname van dissimilariteit. Dit betekent dat leerlingen met verschillende migratieachtergronden elkaar in toenemende mate ontmoeten en dat scholen gemiddeld gemengder zijn geworden. Ook het aandeel scholen met matig tot hoge dissimilariteit neemt af, vooral in het voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd blijft het bijzonder onderwijs ook op dit kenmerk minder gemengd dan het openbaar onderwijs en houdt het bijzonder onderwijs structureel hogere segregatieniveaus dan het openbaar onderwijs.

Bij verschillende indicatoren is rond 2022 een tijdelijke afname of stagnatie zichtbaar. In de meest recente jaren zetten deze ontwikkelingen echter niet door en stijgen de segregatieniveaus opnieuw. Op basis van de huidige gegevens is het daarom nog te vroeg om te spreken van een structurele trendverandering. Over de gehele onderzoeksperiode blijft het beeld dat segregatie, met name naar opleidingsniveau van ouders, eerder toeneemt dan afneemt.

Reisafstand naar school

Het aandeel voorbijlopers verschilt duidelijk tussen wijken en is het hoogst in onder meer de Oude Wijken, Centrum/Oud-Zuid en Ten Boer, terwijl het in wijken als Haren en Nieuw-Zuid lager en stabieler is. Deze verschillen hangen deels samen met het aanbod van scholen en keuzemogelijkheden. Daarnaast ligt het aandeel voorbijlopers structureel hoger in het bijzonder basisonderwijs dan in het openbaar onderwijs, wat aangeeft dat ouders verder willen reizen voor het bijzonder onderwijs. Vooral het opleidingsniveau van ouders hangt hiermee samen: leerlingen van hoger opgeleide ouders reizen gemiddeld verder naar school, terwijl leerlingen van lager opgeleide ouders vaker dichtbij huis blijven. Voor huishoudinkomen en migratieachtergrond is deze relatie minder eenduidig en lijken de verschillen over de tijd af te nemen.

In het voortgezet onderwijs zijn vergelijkbare patronen zichtbaar, maar deze zijn minder uitgesproken. Ook hier reizen leerlingen van middelbaar en hoogopgeleide ouders verder dan leerlingen van laagopgeleide ouders. Verschillen naar huishoudinkomen en migratieachtergrond zijn minder consistent en lijken in de tijd af te nemen.

In schooljaar 2024/2025 is in de gemeente Groningen een nieuwe centrale aanmeldprocedure voor het basisonderwijs ingevoerd. Binnen deze procedure krijgen kinderen voorrang op de drie dichtstbijzijnde basisscholen ten opzichte van hun woonadres. Daarmee beoogt de gemeente gelijke kansen bij schoolplaatsing te bevorderen en een sterke concentratie van aanmeldingen op specifieke scholen te voorkomen. Het is nog te vroeg om vast te stellen of deze procedure invloed heeft op schoolkeuze, reisafstanden, het aandeel voorbijlopers en de mate van onderwijssegregatie. De komende monitorjaren zullen moeten uitwijzen of de nieuwe aanmeldprocedure leidt tot een andere verdeling van leerlingen over scholen.

Overkoepelend beeld in de gemeente Groningen

Samenvattend ontstaat een gedifferentieerd beeld van segregatie in het onderwijs, waarbij tegengestelde ontwikkelingen zichtbaar zijn per kenmerk: waar leerlingen naar migratieachtergrond elkaar juist vaker ontmoeten, nemen de verschillen naar het opleidingsniveau van de ouders toe.

De resultaten suggereren dat onderwijssegregatie in de gemeente Groningen niet alleen wordt gestuurd door waar ouders wonen, maar in toenemende mate door het keuzegedrag van ouders. Met name hoger opgeleide ouders lijken actiever te kiezen voor specifieke scholen, ook buiten de directe woonomgeving, en zijn bereid hiervoor verder te reizen. Dit leidt tot sterkere concentraties van vergelijkbare groepen op scholen, vooral in het bijzonder basisonderwijs. Tegelijkertijd laten de afnemende verschillen naar migratieachtergrond en de stabiele patronen naar inkomen zien dat niet alle vormen van segregatie zich in dezelfde richting ontwikkelen.

Hiermee lijkt er sprake te zijn van een verschuiving van ruimtelijk bepaalde segregatie (waar de woonlocatie van ouders leidend is) naar sociaal-cultureel bepaalde segregatie (waar meer voorkeuren, verwachtingen en schoolkeuzes van ouders een grotere rol spelen). Dit maakt segregatie minder zichtbaar en potentieel hardnekkiger, omdat deze voortkomt uit individuele keuzes die zich opstapelen tot structurele verschillen tussen scholen.

Relatie met landelijke en stedelijke ontwikkelingen

De resultaten voor de gemeente Groningen sluiten op hoofdlijnen aan bij het landelijke beeld, maar laten tegelijkertijd ook eigen accenten zien. Net als landelijk is er sprake van een relatief stabiel beeld van segregatie naar inkomen en een afname van segregatie naar migratieachtergrond. Dit komt overeen met bevindingen uit zowel de landelijke monitor (Muskens et al., 2025) als de stedelijke monitoren van Amsterdam en Rotterdam, waar eveneens een vermindering van segregatie naar migratieachtergrond zichtbaar is.

Op het gebied van opleidingsniveau van ouders wijken de resultaten in Groningen deels af en sluiten ze deels aan bij de ontwikkelingen in de grote steden. Waar de landelijke monitor vooral een stabiel beeld laat zien, is in Groningen, net als in Amsterdam en Rotterdam, zichtbaar dat het aandeel hoogopgeleide ouders toeneemt en dat dit gepaard gaat met toenemende verschillen tussen scholen. In de grote steden uit zich dit in een duidelijke clustering van leerlingen met hoogopgeleide ouders op specifieke scholen. In Groningen is deze ontwikkeling minder uitgesproken, maar wel zichtbaar in de toename van dissimilariteit naar opleidingsniveau, met name in het bijzonder basisonderwijs.

Daarnaast bevestigen de analyses van reisafstand en voorbijlopers het beeld dat schoolkeuze een steeds belangrijkere rol speelt in het ontstaan en in stand houden van segregatie. Net als in Amsterdam en Rotterdam laten de resultaten zien dat met name hoger opgeleide ouders vaker kiezen voor een school buiten de directe woonomgeving. Daarmee lijkt ook in Groningen sprake van een verschuiving van segregatie die vooral samenhangt met woonpatronen naar segregatie die sterker wordt beïnvloed door voorkeuren en keuzegedrag van ouders. Tegelijkertijd blijft de schaal en intensiteit van deze processen in Groningen beperkter dan in andere grote steden, zoals Amsterdam en Rotterdam. Dit past bij het landelijke beeld dat segregatie het sterkst is in (zeer) stedelijke gebieden. Desondanks laten de resultaten zien dat ook in de gemeente Groningen vergelijkbare mechanismen optreden, zij het (nog) in minder extreme vorm.

De resultaten laten zien dat onderwijssegregatie in de gemeente Groningen niet uitsluitend samenhangt met woonpatronen, maar, in lijn met recente literatuur, in toenemende mate ook met het schoolkeuzegedrag van ouders. Met name bij leerlingen van hoger opgeleide ouders zijn aanwijzingen zichtbaar dat voorkeuren voor specifieke scholen een belangrijke rol spelen in de verdeling van leerlingen over scholen. Daarmee lijken keuzegedreven verschillen en voorkeuren een steeds grotere bijdrage te leveren aan verschillen tussen scholen en aan de ontwikkeling van kansenongelijkheid.