Dissimilariteit naar opleidingsniveau van de ouders
Dissimilariteit naar opleidingsniveau van de ouders (titel verborgen)
In dit hoofdstuk kijken we naar dissimilariteit op basis- en voortgezet onderwijsscholen op basis van het opleidingsniveau van ouders6. Tevens brengen we in kaart of de gemiddelde dissimilariteitsscore op basis van het opleidingsniveau van ouders verschilt tussen bijzondere en openbare basisscholen. Voor het opleidingsniveau kijken we naar het hoogst gehaalde opleidingsniveau van (een van) beide ouders.
Dissimilariteit
De dissimilariteitsscore geeft aan in hoeverre leerlingen met bepaalde kenmerken, in dit geval het opleidingsniveau van hun ouders, ongelijk over scholen zijn verdeeld. Hoe hoger de score, hoe minder gemengd de scholen zijn en hoe sterker de segregatie.
De score is geen percentage. De score moet vooral worden gebruikt om te kijken of segregatie binnen hetzelfde kenmerk in de loop van de tijd toe- of afneemt. Daarnaast zijn de scores voor opleidingsniveau, huishoudinkomen en migratieachtergrond niet rechtstreeks met elkaar te vergelijken. Een hogere score voor opleidingsniveau betekent daarom niet automatisch dat de segregatie naar opleidingsniveau groter is dan de segregatie naar huishoudinkomen of migratieachtergrond. In dit rapport gebruiken we de scores daarom vooral om ontwikkelingen binnen hetzelfde kenmerk door de tijd heen te volgen.
6 Voor dit onderzoek gebruiken we de termen laag opgeleid, middelbaar opgeleid en hoog opgeleid. Deze termen zijn op dit moment onderwerp van discussie in de samenleving en politiek, omdat ze onbedoeld een rangorde lijken te suggereren. Toch is er nog geen overeenstemming over nieuwe termen. Daarom is besloten om de huidige termen te blijven gebruiken. Meer informatie is te vinden in bijlage 1.
4.1 Basisonderwijs
Figuur 6 toont de gemiddelde dissimilariteitsscore op basis van het opleidingsniveau van ouders sinds 2012. De score neemt in deze periode duidelijk toe, van 34,1 in 2012 tot 44,7 in 2024. Dit betekent dat leerlingen met ouders met verschillende opleidingsniveaus elkaar in toenemende mate minder ontmoeten op school dan op basis van de totale leerlingenpopulatie verwacht zou worden. Hoewel er in enkele jaren sprake is van een lichte stabilisatie (bijvoorbeeld rond 2020), zet de stijgende trend zich in de meest recente jaren verder door. Dit wijst erop dat de dissimilariteit naar opleidingsniveau in het onderwijs in de gemeente Groningen verder is toegenomen.
Figuur 6: Gemiddelde dissimilariteitsscore naar opleidingsniveau van de ouders over alle basisscholen van 2012-2024
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| jaar | avg_opl_diss |
|---|---|
| 2012 | 34,1 |
| 2014 | 38,7 |
| 2016 | 40,2 |
| 2018 | 43,1 |
| 2020 | 42,8 |
| 2022 | 44,0 |
| 2024 | 44,7 |
N = 52-57
De scholen zijn vervolgens ingedeeld in categorieën: gemengde scholen, scholen met matige dissimilariteit en scholen met hoge dissimilariteit. Scholen in de categorie ‘hoge dissimilariteit’ zijn scholen waar een relatief groot deel van de ouders van leerlingen óf hoog óf laag opgeleid is, in vergelijking met wat op basis van de totale leerlingenpopulatie verwacht zou worden.
Tabel 4 toont het aandeel basisscholen met een hoge dissimilariteitsscore. Dit aandeel is berekend als het aantal basisscholen met een hoge dissimilariteitsscore ten opzichte van het totaal aantal basisscholen per jaar.
Tabel 4: Aandeel basisscholen met hoge dissimilariteit naar opleidingsniveau van de ouders van 2012-2024
| Jaar | % PO scholen hoge dissimilariteit |
Aantal PO scholen |
|---|---|---|
| 2012 | 14% | 57 |
| 2014 | 23% | 53 |
| 2016 | 21% | 52 |
| 2018 | 23% | 52 |
| 2020 | 25% | 52 |
| 2022 | 33% | 55 |
| 2024 | 27% | 56 |
Het aandeel scholen met hoge dissimilariteit is duidelijk toegenomen. In 2012 ligt dit aandeel op circa 14%, waarna het relatief snel stijgt tot ruim 20% in de daaropvolgende jaren. In de meest recente jaren zet deze ontwikkeling verder door, met een piek van 33%, waarna het aandeel licht afneemt tot 27% in 2024. Dit wijst erop dat dissimilariteit naar opleidingsniveau zich niet alleen uit in gemiddelde scores, maar ook in een groeiende groep scholen waar verschillen tussen leerlingpopulaties relatief sterk geconcentreerd zijn. Met andere woorden: een toenemend aantal scholen kent een gesegregeerde samenstelling, waarbij leerlingen met ouders met verschillende opleidingsniveaus elkaar minder vaak ontmoeten dan op basis van de totale leerlingenpopulatie verwacht zou worden.
Denominatie
In 2012 was het verschil in dissimilariteit tussen openbare en bijzondere basisscholen relatief klein, zie figuur 7. In de jaren daarna is een duidelijk verschil ontstaan. Voor het openbaar onderwijs blijft de dissimilariteitsscore over de tijd relatief stabiel, met slechts een lichte stijging (van 32,0 in 2012 naar 39,7 in 2024). In het bijzonder onderwijs is daarentegen sprake van een duidelijke toename: de gemiddelde dissimilariteitsscore stijgt van 36,3 in 2012 naar een piek van 50,6 in 2022, waarna deze in 2024 licht daalt naar 49,3.
Dit betekent dat met name bijzondere scholen in toenemende mate minder gemengd zijn geworden wat betreft het opleidingsniveau van ouders en dat de toename in segregatie vooral plaatsvindt binnen het bijzonder onderwijs. Leerlingpopulaties in het bijzonder onderwijs worden steeds homogener qua opleidingsniveau van ouders, terwijl dit in het openbaar onderwijs minder sterk het geval is.
Figuur 7: Gemiddelde dissimilariteitsscore naar opleidingsniveau van de ouders over alle basisscholen in het bijzonder en openbaar basisonderwijs van 2012-2024
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| jaar | Bijzonder | Openbaar |
|---|---|---|
| 2012 | 36,3 | 32,0 |
| 2014 | 40,7 | 36,8 |
| 2016 | 43,7 | 36,7 |
| 2018 | 47,7 | 38,6 |
| 2020 | 48,0 | 37,5 |
| 2022 | 50,6 | 37,2 |
| 2024 | 49,3 | 39,7 |
N=52-57
4.2 Voortgezet onderwijs
In het voortgezet onderwijs laat de dissimilariteit naar opleidingsniveau van ouders een dalende trend zien sinds 2012 (zie figuur 8). Dit betekent dat leerlingen met ouders met verschillende opleidingsniveaus elkaar in het voortgezet onderwijs méér zijn gaan ontmoeten dan in 2012 het geval was. Dit staat in contrast met het primair onderwijs, waar de dissimilariteit naar opleidingsniveau van de ouders in dezelfde periode juist is toegenomen.
Figuur 8: Gemiddelde dissimilariteitsscore naar opleidingsniveau van de ouders over alle voortgezet onderwijsscholen van 2012-2024
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| jaar | avg_opl_diss |
|---|---|
| 2012 | 53,6 |
| 2014 | 44,4 |
| 2016 | 41,7 |
| 2018 | 42,9 |
| 2020 | 43,1 |
| 2022 | 42,8 |
| 2024 | 44,1 |
N=24-27
Hoewel de gemiddelde dissimilariteitsscore in het voortgezet onderwijs een relatief stabiele dalende trend laat zien, geldt dit niet voor het aandeel scholen met een hoge dissimilariteitsscore (zie tabel 5). Dit aandeel neemt in eerste instantie af van 46% in 2012 naar 24% in 2018, wat erop wijst dat scholen in deze periode gemiddeld meer gemengd zijn geworden. In de jaren daarna neemt het aandeel daarentegen weer toe, tot 40% in zowel 2022 als 2024.
Er is daarmee geen sprake van een stabiele ontwikkeling, maar van een patroon waarin segregatie eerst afneemt en vervolgens weer toeneemt. In de meest recente jaren ligt het aandeel scholen met een hoge dissimilariteit weer op een relatief hoog niveau, vergelijkbaar met het begin van de periode. Dit wijst erop dat een aanzienlijk deel van de scholen een gesegregeerde samenstelling heeft, waarbij leerlingen met ouders met verschillende opleidingsniveaus elkaar minder vaak ontmoeten in het voortgezet onderwijs dan op basis van de totale leerlingenpopulatie verwacht zou worden, ondanks dat de totale dissimilariteitsscore in de gemeente Groningen een dalende trend laat zien.
Tabel 5: Aandeel voortgezet onderwijsscholen met hoge dissimilariteit naar opleidingsniveau van de ouders van 2012-2024
| Jaar | Aandeel VO scholen met hoge dissimilariteit |
Aantal VO scholen |
|---|---|---|
| 2012 | 46% | 24 |
| 2014 | 41% | 27 |
| 2016 | 31% | 26 |
| 2018 | 24% | 25 |
| 2020 | 28% | 25 |
| 2022 | 40% | 25 |
| 2024 | 40% | 25 |